RE: Drugs en drankverslaving in Nederland dankzij kortzichtig overheidsbeleid uitgegroeid tot gedwongen slopende euthanasie gefinancierd door de belastingbetalers‏

de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site. NIEUWS TEGENSPRAAK SUPPLEMENT DOSSIERS ARCHIEF ADVERTENTIES SERVICE
——————————————————————————–
DRUGS
SOORTEN
PRODUKTIE EN CONSUMPTIE
OPIUMMARKT
CANNABIS
MEDICIJN
GEBRUIKERS
VERSLAVINGSZORG
GESCHIEDENIS
DEBAT
BELEID
WETGEVING
HOGE NOOD
SPIRITUALITEIT
ORGANISATIES
INTERNET

De Nederlandse overheid was zelf drugsbaron

In de 19de eeuw was de Nederlandse staat zelf handelaar in opium. De vraag was er toch, dan kon je er maar beter wat aan verdienen.
Jan van Ours

HET DRUGSBELEID VAN de Nederlandse overheid is tegenwoordig vooral gedoogbeleid. Vroeger was die overheidsrol, althans in voormalig Nederlands-Indië, aanmerkelijk uitgebreider. Er is zelfs een langdurige periode geweest waarin de overheid zich actief bemoeide met de handel in en verkoop van opium aldaar.
De Nederlandse betrokkenheid bij de opiumhandel in Zuidoost-Azië gaat terug tot het begin van de 17de eeuw toen de VOC ruwe opium kocht in Bengalen, en ruilde tegen specerijen in de Indische archipel. In de tweede helft van de zeventiende eeuw verwierf de VOC in ruil voor oorlogsdiensten het monopolie op de invoer van opium voor een groot deel van Java, waardoor de betrokkenheid met de drugshandel aanmerkelijk werd vergroot. De verkoop was min of meer in particuliere handen.
Dat ging zo ruim een eeuw door totdat in het begin van de negentiende eeuw het Nederlandse staatsgezag in Indië de verkoop van opium reguleerde via een pachtsysteem. Met behulp van veilingen werden monopolierechten verkocht aan particulieren of groepen particulieren. Deze waren verplicht hun ruwe opium van de Staat te betrekken en kregen het alleenrecht op de verkoop in hun gebied. Voor dit aantrekkelijke pachtrecht moesten de dealers aanzienlijke bedragen aan de overheid betalen.

In het moederland maakte men zich in toenemende mate zorgen over de groeiende opiumconsumptie. Pogingen om het aantal verkooppunten te reduceren, zoals nu geprobeerd wordt met het aantal coffeeshops in Nederland, haalden niets uit, omdat dergelijke restricties leidden tot een toename van de verboden ambulante handel. Eind negentiende eeuw kwam in het politieke debat over het opiumgebruik een idee naar voren dat snel aan politieke betekenis won. Dit idee was de ‘opiumregie’, een staatsmonopolie op de invoer, bereiding en distributie van opium. De bedoeling was dat zo criminaliteit zou worden teruggedrongen, gezondheidsrisico’s zouden worden verminderd en uiteindelijk het gebruik van opium zou teruglopen.

Het idee van een overheidsmonopolie in opium hadden de Nederlanders niet zelf bedacht. De Fransen in Indo-China waren de eersten die de overheid de rol van drugsbaron gaven toen ze in 1881 hun opiumregie introduceerden. De Nederlanders gingen alleen een stapje verder. Waar de Franse overheidsrol stopte bij de groothandel was in Nederlands-Indië ook de detailhandel in opium een staatsaangelegenheid. De opiumregie stond overigens onder toezicht van een bureau van het ministerie van Financiën.
Het nieuwe systeem begon in 1894 als een experiment op het eiland Madura dicht bij de Javaanse kust. Het experiment werd succesvol bevonden en in de jaren daarop stapsgewijs in andere delen van Java geïntroduceerd. Het duurde tot 1914 voordat de opiumregie in alle delen van Nederlands-Indië was ingevoerd. Tegen die tijd waren er meer dan duizend werknemers in dienst bij de opiumfabriek in de buurt van Batavia waarin ruwe opium voor consumptie geschikt werd gemaakt.

Om het opiumgebruik te controleren, werd in het begin van de twintigste eeuw een vergunningenstelsel geintroduceerd met de oorspronkelijke bedoeling om langzamerhand een einde te maken aan het opiumgebruik. Het verstrekken van vergunningen werd beperkt tot de actieve gebruikers. Nieuwe vergunningen werden slechts bij uitzondering gegeven, bijvoorbeeld op grond van een doktersverklaring dat er van verslaving sprake was. Het vergunningenstelsel beoogde ook de hoeveelheid geconsumeerde opium te beperken. Het was niet toegestaan om meer dan een keer per dag een kleine hoeveelheid opium te kopen. Verder was er een bepaald maandelijks maximum dat mocht worden gekocht.

De strenge toepassing van het vergunningstelsel leidde vermoedelijk tot een toename van de illegale consumptie. Eind jaren twintig werd het systeem versoepeld en werd het gemakkelijker om een vergunning te krijgen. De prijs van het opium in Nederlands-Indië was betrekkelijk hoog. Terwijl in 1930 voor een gram opium 70 cent betaald moest worden, bedroeg de prijs in Formosa (tegenwoordig Taiwan waar destijds de Japanners een opiumregie hadden geïntroduceerd) 12 cent. De consumptie per gebruiker bedroeg in Nederlands-Indië gemiddeld 300 gram per jaar, in Formosa was dat 1.150 gram. Met de inval van Japan in Nederlands-Indië kwam een einde aan de opiumregie.

De geschiedenis van de overheidsbemoeienis met de opiummarkt is ook vanuit een economisch-historische invalshoek interessant. Gegevens over het opiumgebruik, opiumgebruikers en opiumprijzen werden in Koloniale Verslagen gepubliceerd of in Jaarverslagen van de opiumregie en kunnen ook nu nog worden benut voor wetenschappelijk onderzoek.Uit een eigen onderzoek naar de prijsgevoeligheid van het opiumgebruik bleek dat het verband tussen prijs en gebruik redelijk groot bleek te zijn. Een analyse van de effecten van de overgang van opiumpacht naar opiumregie leverde de conclusie op dat het actieve beleid van de overheid de opiumconsumptie lijkt te hebben teruggedrongen.

Verwonderlijk is dat niet. Werknemers van de opiumpachters werden voor een niet onbelangrijk deel betaald in de vorm van opium. Beide partijen hadden er zo belang bij de vraag naar opium te stimuleren. Met de introductie van de opiumregie kwam die prikkel te vervallen. De overgang van vele kleine drugsbaronnen naar één grote was zo gek nog niet.
The price elasticity of hard drugs; the case of opium in the Dutch East Indies (1923-1938), Journal of Political Economy, Jan van Ours, 1995

The effect of government policy on drug use; Java, 1875-1904, Journal of Economic History, Eric van Luijk en Jan van Ours, maart 2001

De drugdealer valt niets te verwijten, de moraliserende overheid des te meer

Waarom kan een drugdealer zoveel geld verdienen?
Het antwoord is dat de overheid de drughandelaar faciliteert door middel van prohibitie die torenhoge prijzen veroorzaakt en gouden winsten mogelijk maakt.
Het is de overheid die de entourage schept die het de drugdealer mogelijk maakt een hoog inkomen te verwerven.
Hoe krijgt de overheid dit voor elkaar?
De drugdealer wordt op de volgende wijzen gefaciliteerd:
– Het creëren van een verbod op het importeren, verhandelen en consumeren van bepaalde producten
– Het scheppen van een negatief imago betreffende de drugdealer
Hoe strenger het verbod, des te strikter de implemetering van het verbod en des te draconischer de sancties die staan op overtreding van het verbod, des te hoger de marktwaarde van de betreffende goederen en des te sterker de aantrekkingskracht op hen die een groot inkomen willen verwerven.
Vervolgens incasseren zij die ondanks het verbod in de betreffende goederen handelen, een premie die de hoogte van hun inkomen sterk doet toenemen.
Ondersteld zou mogen worden, dat de overheid door middel van haar acties de welvaart in de maatschappij wil verhogen.
Tengevolge van de prohibitie wordt echter een situatie gecreëerd , waarin de op geld gewaarderde gevolgen van de prohibitie verre de uitsluitend illusoire voordelen van diezelfde prohibitie overtreffen.
De slachtoffers zijn :
– druggebruikers die hoge prijzen moeten betalen
– de burgers die door hen overvallen en beroofd worden
– de belastingbetaler die geld moet ophoesten voor een justitieel apparaat ( nu voor 75 procent bezig met druggerelateerde misdaad) , maar zelf niet geholpen wordt als hij de politie belt
Als gevolg van de prohibitie krijgt de overheid er steeds meer taken bij, want zij voelt zich onder andere geroepen te gaan strijden tegen:
– witwassen en
– in- en uitvoer van ongedeclareerd inkomen
en voelt zich eveneens geroepen zich op storende wijze bezig te gaan houden met alle financiële handelingen van de consument.
Als gevolg van de strijd tegen alle windmolens breiden de activiteiten van de overheid zich exponentieel uit. Er is steeds grotere aandacht en steeds meer geld nodig om op te treden tegen iets, waarvan de uitdrijving op zijn best een fata morgana is en op zijn slechtst een bodemloze put waarin ongelimiteerd geld gestort kan worden.
Ook in de USA is wel sprake van een steeds doorgaande strijd tegen drugs , maar het druggebruik neemt niet af. Politici geven nu privé wel toe dat het allemaal zinloze geldverspilling is, maar durven deze mening in het openbaar niet uit te dragen omdat hun dit bij de volgende verkiezing hun zetels kan kosten.
Strijden tegen drugs, antiwitwasmaatregelen, milieuwetgeving, anticorruptiewetgeving: het zijn allemaal afleidingsmanoeuvres in de gedaante van grollen en grappen , die slechts als doel hebben het creëren en handhaven van ontzag voor politici die iedereen een grote dienst zouden kunnen bewijzen door morgenochtend op te stappen en iets te gaan doen wat het nationale inkomen verhoogt.
Hugo van Reijen

de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
NIEUWS TEGENSPRAAK SUPPLEMENT DOSSIERS ARCHIEF ADVERTENTIES SERVICE
——————————————————————————–
DRUGS
SOORTEN
PRODUKTIE EN CONSUMPTIE
OPIUMMARKT
CANNABIS
MEDICIJN
GEBRUIKERS
VERSLAVINGSZORG
GESCHIEDENIS
DEBAT
BELEID
WETGEVING
HOGE NOOD
SPIRITUALITEIT
ORGANISATIES
INTERNET

Warrig gesol met drugsgebruikers De verslavingszorg bestaat uit een wirwar van instellingen. Bovendien is het overheidsbeleid tegenstrijdig. Titia Ketelaar

MET EEN MOOIE TERM heet het differentiatie van het hulpaanbod. De wirwar van instellingen voor verslavingszorg die Nederland rijk is, moet aan iedere van drugs of alcohol afhankelijke persoon hulp kunnen bieden. Zo zijn er naast veertig professionele instellingen en zestien consultatiebureaus (met 130 regionale vestigingen) ook nog eens vijftien instellingen voor maatschappelijke drugshulpverlening, twintig verslavingsklinieken en een handvol privé-instellingen en hulpverleners.

Zij leveren óf laagdrempelige zorg, zoals de opvang van verslaafden of het verstrekken van methadon, óf bieden detoxificatie als onderdeel van een behandeling, in deeltijd of tijdens een programma van verscheidene maanden waarbij de drugsgebruiker in een instelling verblijft. Die methoden kunnen bijvoorbeeld medicijnverstrekking betekenen, of behandelingen onder narcose. Er zijn speciale projecten die zich richten op onder meer verslaafde daklozen, prostituees, bejaarden, of allochtonen.

Het beleid verschilt van instelling tot instelling. Grof geschetst is de verslavingszorg in Nederland gericht op afkicken, en, bij de meeste instellingen, op harm reduction. In het eerste geval wordt er gestreefd naar een drugsvrij bestaan, in het tweede geval wordt geprobeerd de leefomstandigheden van de drugsgebruiker niet te laten verslechteren en te voorkomen dat hij overlast veroorzaakt voor zijn omgeving. Methadonverstrekking, waarvan in 1999 ongeveer 13.500 heroïnegebruikers gebruikmaakten, valt hieronder, evenals het aanbieden van schone spuiten en een experiment met heroïneverstrekking op medisch voorschrift dat in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Heerlen en Utrecht wordt gehouden.

Hoe weet een drugsgebruiker waar hij terecht kan voor hulp en welke instelling geschikt voor hem is? H.Wijchgel van het Trimbos Instituut suggereert de Drugsinformatielijn. De telefonisten zijn getraind op gesprekken met gebruikers en weten waar ze heen kunnen verwijzen. Deze vorm van laagdrempelige zorg blijkt echter moeilijk te vinden in bijvoorbeeld het telefoonboek van Den Haag. De informatielijn komt noch in het roze, noch in het witte gedeelte voor, maar heeft alleen een vermelding in het gedeelte met betaalde informatielijnen, helemaal achterin het boek. De politie weet van de informatielijn, zegt het Trimbos Instituut. Huisartsen echter niet altijd, en deze verwijzen ook vaak naar de Riagg maar dit zijn instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en niet voor verslavingszorg.

Niet alleen is de juiste instelling moeilijk te vinden, de daadwerkelijke verslavingszorg is in Nederland ook niet goed geregeld, vindt de belangenvereniging voor drugsgebruikers MDHG. “Vanaf het moment van aanmelding is iemand een product”, zegt J. Arnold van de MDHG. “Er wordt binnen instellingen ook gesproken over ‘contactenproductie’. Je denkt als gebruiker misschien dat je bij een dienstverlenende instelling aanklopt, maar de overheid en de zorgverzekeraars zijn de klant, niet diegene die binnenkomt. Er wordt geen zorg op maat gegeven.” En dat is belangrijk. Arnold noemt het voorbeeld van een drugsgebruiker van wie bekend was dat hij zijn huis moest verlaten. “De hulpverlener sprak met hem over de oorzaken van zijn drugsgebruik, zijn familie, enzovoorts. Uiteindelijk werd de man dakloos. Door de stress ging hij opnieuw gebruiken.”

“Er wordt gesold met mensen”, vindt Arnold. Dat ligt volgens hem niet zozeer aan welwillende hulpverleners, maar eerder aan het tegenstrijdige overheidsbeleid. Het ministerie van VWS, verantwoordelijk voor de hulpverlening, richt zich op harm reduction. Het ministerie van Justitie, verantwoordelijk voor het beperken van de overlast door drugsgebruikers, wil onder dwang laten afkicken.

De garantie dat een van die twee methoden werkt, is er niet. Binnen de hulpverlening is bekend dat na afkicken onder dwang ‘strafkicken’ volgens het MDHG het risico van een terugval enorm is, zelfs nog na jaren. “Als iemand niet wil afkicken, lukt het ook niet”, meent Wijghel van het Trimbos Instituut. En ook bij harm reduction is de effectiviteit niet uit te rekenen. Cijfers over resultaten zijn dan ook moeilijk te achterhalen. Volgens gegevens van Informatievoorziening Verslavingszorg deden er in 1999 ruim 26.000 drugsgebruikers een beroep op een instelling. Hoeveel er daarvan recidivisten waren of mensen die nog ingeschreven stonden bij een instelling, is niet na te gaan.

In onder meer de Verenigde Staten en Groot-Brittannië wordt wel een behandelmethode als meest succesvol gezien: het zogenoemde Minnesota-model. Deze methode is in de afgelopen vijftig jaar ontwikkeld rondom het in 1939 bedachte twaalfstappenplan van de Anonieme Alcoholisten. Zij gaat er vanuit dat afhankelijkheid van drugs en alcohol een chronische, maar goed te behandelen aandoening is. Herstel van een volwaardig leven is het doel van de behandeling. Harm reduction wordt gezien als een aanpak van pappen en nathouden. Deelname aan zelfhulpgroepen maakt onderdeel uit van het Minnesota-model.

In Nederland wordt er slechts ad hoc gewerkt met methodes gericht op onthouding. In Eindhoven loopt er al enkele jaren een proef met het twaalfstappenplan, de Amsterdamse Jellinek-kliniek werkt met een aantal zelfhulpgroepen, en enkele AA-groepen laten ook drugsgebruikers toe. Met de hulp van lotgenoten is herstel van een volwaardig leven haalbaar.

Het ministerie van VWS kent het Minnesota-model niet, maar zegt zich ook niet bezig te houden met hoe instellingen hun subsidies besteden. “Het beleid is gericht op harm reduction, het beperken van de overlast voor omgeving en gezondheidsrisico’s”, aldus het ministerie. De belangenvereniging voor drugsgebruikers zou echter graag zien dat ook in Nederland op kleine schaal met het Minnesota-model gewerkt zou worden. “We zijn niet voor of tegen een bepaalde methode, maar er is duidelijk een groeiende behoefte aan een op afkicken-gericht model”, zegt Arnold van de MDHG. Als het maar niet onder dwang is.

De drugdealer valt niets te verwijten, de moraliserende overheid des te meer

Waarom kan een drugdealer zoveel geld verdienen?
Het antwoord is dat de overheid de drughandelaar faciliteert door middel van prohibitie die torenhoge prijzen veroorzaakt en gouden winsten mogelijk maakt.
Het is de overheid die de entourage schept die het de drugdealer mogelijk maakt een hoog inkomen te verwerven.
Hoe krijgt de overheid dit voor elkaar?
De drugdealer wordt op de volgende wijzen gefaciliteerd:
– Het creëren van een verbod op het importeren, verhandelen en consumeren van bepaalde producten
– Het scheppen van een negatief imago betreffende de drugdealer
Hoe strenger het verbod, des te strikter de implemetering van het verbod en des te draconischer de sancties die staan op overtreding van het verbod, des te hoger de marktwaarde van de betreffende goederen en des te sterker de aantrekkingskracht op hen die een groot inkomen willen verwerven.
Vervolgens incasseren zij die ondanks het verbod in de betreffende goederen handelen, een premie die de hoogte van hun inkomen sterk doet toenemen.
Ondersteld zou mogen worden, dat de overheid door middel van haar acties de welvaart in de maatschappij wil verhogen.
Tengevolge van de prohibitie wordt echter een situatie gecreëerd , waarin de op geld gewaarderde gevolgen van de prohibitie verre de uitsluitend illusoire voordelen van diezelfde prohibitie overtreffen.
De slachtoffers zijn :
– druggebruikers die hoge prijzen moeten betalen
– de burgers die door hen overvallen en beroofd worden
– de belastingbetaler die geld moet ophoesten voor een justitieel apparaat ( nu voor 75 procent bezig met druggerelateerde misdaad) , maar zelf niet geholpen wordt als hij de politie belt
Als gevolg van de prohibitie krijgt de overheid er steeds meer taken bij, want zij voelt zich onder andere geroepen te gaan strijden tegen:
– witwassen en
– in- en uitvoer van ongedeclareerd inkomen
en voelt zich eveneens geroepen zich op storende wijze bezig te gaan houden met alle financiële handelingen van de consument.
Als gevolg van de strijd tegen alle windmolens breiden de activiteiten van de overheid zich exponentieel uit. Er is steeds grotere aandacht en steeds meer geld nodig om op te treden tegen iets, waarvan de uitdrijving op zijn best een fata morgana is en op zijn slechtst een bodemloze put waarin ongelimiteerd geld gestort kan worden.
Ook in de USA is wel sprake van een steeds doorgaande strijd tegen drugs , maar het druggebruik neemt niet af. Politici geven nu privé wel toe dat het allemaal zinloze geldverspilling is, maar durven deze mening in het openbaar niet uit te dragen omdat hun dit bij de volgende verkiezing hun zetels kan kosten.
Strijden tegen drugs, antiwitwasmaatregelen, milieuwetgeving, anticorruptiewetgeving: het zijn allemaal afleidingsmanoeuvres in de gedaante van grollen en grappen , die slechts als doel hebben het creëren en handhaven van ontzag voor politici die iedereen een grote dienst zouden kunnen bewijzen door morgenochtend op te stappen en iets te gaan doen wat het nationale inkomen verhoogt.
Hugo van Reijen

de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
NIEUWS TEGENSPRAAK SUPPLEMENT DOSSIERS ARCHIEF ADVERTENTIES SERVICE
——————————————————————————–

DRUGS
SOORTEN
PRODUKTIE EN CONSUMPTIE
OPIUMMARKT
CANNABIS
MEDICIJN
GEBRUIKERS
VERSLAVINGSZORG
GESCHIEDENIS
DEBAT
BELEID
WETGEVING
HOGE NOOD
SPIRITUALITEIT
ORGANISATIES
INTERNET

Warrig gesol met drugsgebruikers De verslavingszorg bestaat uit een wirwar van instellingen. Bovendien is het overheidsbeleid tegenstrijdig. Titia Ketelaar

MET EEN MOOIE TERM heet het differentiatie van het hulpaanbod. De wirwar van instellingen voor verslavingszorg die Nederland rijk is, moet aan iedere van drugs of alcohol afhankelijke persoon hulp kunnen bieden. Zo zijn er naast veertig professionele instellingen en zestien consultatiebureaus (met 130 regionale vestigingen) ook nog eens vijftien instellingen voor maatschappelijke drugshulpverlening, twintig verslavingsklinieken en een handvol privé-instellingen en hulpverleners.

Zij leveren óf laagdrempelige zorg, zoals de opvang van verslaafden of het verstrekken van methadon, óf bieden detoxificatie als onderdeel van een behandeling, in deeltijd of tijdens een programma van verscheidene maanden waarbij de drugsgebruiker in een instelling verblijft. Die methoden kunnen bijvoorbeeld medicijnverstrekking betekenen, of behandelingen onder narcose. Er zijn speciale projecten die zich richten op onder meer verslaafde daklozen, prostituees, bejaarden, of allochtonen.

Het beleid verschilt van instelling tot instelling. Grof geschetst is de verslavingszorg in Nederland gericht op afkicken, en, bij de meeste instellingen, op harm reduction. In het eerste geval wordt er gestreefd naar een drugsvrij bestaan, in het tweede geval wordt geprobeerd de leefomstandigheden van de drugsgebruiker niet te laten verslechteren en te voorkomen dat hij overlast veroorzaakt voor zijn omgeving. Methadonverstrekking, waarvan in 1999 ongeveer 13.500 heroïnegebruikers gebruikmaakten, valt hieronder, evenals het aanbieden van schone spuiten en een experiment met heroïneverstrekking op medisch voorschrift dat in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Heerlen en Utrecht wordt gehouden.

Hoe weet een drugsgebruiker waar hij terecht kan voor hulp en welke instelling geschikt voor hem is? H.Wijchgel van het Trimbos Instituut suggereert de Drugsinformatielijn. De telefonisten zijn getraind op gesprekken met gebruikers en weten waar ze heen kunnen verwijzen. Deze vorm van laagdrempelige zorg blijkt echter moeilijk te vinden in bijvoorbeeld het telefoonboek van Den Haag. De informatielijn komt noch in het roze, noch in het witte gedeelte voor, maar heeft alleen een vermelding in het gedeelte met betaalde informatielijnen, helemaal achterin het boek. De politie weet van de informatielijn, zegt het Trimbos Instituut. Huisartsen echter niet altijd, en deze verwijzen ook vaak naar de Riagg maar dit zijn instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en niet voor verslavingszorg.

Niet alleen is de juiste instelling moeilijk te vinden, de daadwerkelijke verslavingszorg is in Nederland ook niet goed geregeld, vindt de belangenvereniging voor drugsgebruikers MDHG. “Vanaf het moment van aanmelding is iemand een product”, zegt J. Arnold van de MDHG. “Er wordt binnen instellingen ook gesproken over ‘contactenproductie’. Je denkt als gebruiker misschien dat je bij een dienstverlenende instelling aanklopt, maar de overheid en de zorgverzekeraars zijn de klant, niet diegene die binnenkomt. Er wordt geen zorg op maat gegeven.” En dat is belangrijk. Arnold noemt het voorbeeld van een drugsgebruiker van wie bekend was dat hij zijn huis moest verlaten. “De hulpverlener sprak met hem over de oorzaken van zijn drugsgebruik, zijn familie, enzovoorts. Uiteindelijk werd de man dakloos. Door de stress ging hij opnieuw gebruiken.”

“Er wordt gesold met mensen”, vindt Arnold. Dat ligt volgens hem niet zozeer aan welwillende hulpverleners, maar eerder aan het tegenstrijdige overheidsbeleid. Het ministerie van VWS, verantwoordelijk voor de hulpverlening, richt zich op harm reduction. Het ministerie van Justitie, verantwoordelijk voor het beperken van de overlast door drugsgebruikers, wil onder dwang laten afkicken.

De garantie dat een van die twee methoden werkt, is er niet. Binnen de hulpverlening is bekend dat na afkicken onder dwang ‘strafkicken’ volgens het MDHG het risico van een terugval enorm is, zelfs nog na jaren. “Als iemand niet wil afkicken, lukt het ook niet”, meent Wijghel van het Trimbos Instituut. En ook bij harm reduction is de effectiviteit niet uit te rekenen. Cijfers over resultaten zijn dan ook moeilijk te achterhalen. Volgens gegevens van Informatievoorziening Verslavingszorg deden er in 1999 ruim 26.000 drugsgebruikers een beroep op een instelling. Hoeveel er daarvan recidivisten waren of mensen die nog ingeschreven stonden bij een instelling, is niet na te gaan.

In onder meer de Verenigde Staten en Groot-Brittannië wordt wel een behandelmethode als meest succesvol gezien: het zogenoemde Minnesota-model. Deze methode is in de afgelopen vijftig jaar ontwikkeld rondom het in 1939 bedachte twaalfstappenplan van de Anonieme Alcoholisten. Zij gaat er vanuit dat afhankelijkheid van drugs en alcohol een chronische, maar goed te behandelen aandoening is. Herstel van een volwaardig leven is het doel van de behandeling. Harm reduction wordt gezien als een aanpak van pappen en nathouden. Deelname aan zelfhulpgroepen maakt onderdeel uit van het Minnesota-model.

In Nederland wordt er slechts ad hoc gewerkt met methodes gericht op onthouding. In Eindhoven loopt er al enkele jaren een proef met het twaalfstappenplan, de Amsterdamse Jellinek-kliniek werkt met een aantal zelfhulpgroepen, en enkele AA-groepen laten ook drugsgebruikers toe. Met de hulp van lotgenoten is herstel van een volwaardig leven haalbaar.

Het ministerie van VWS kent het Minnesota-model niet, maar zegt zich ook niet bezig te houden met hoe instellingen hun subsidies besteden. “Het beleid is gericht op harm reduction, het beperken van de overlast voor omgeving en gezondheidsrisico’s”, aldus het ministerie. De belangenvereniging voor drugsgebruikers zou echter graag zien dat ook in Nederland op kleine schaal met het Minnesota-model gewerkt zou worden. “We zijn niet voor of tegen een bepaalde methode, maar er is duidelijk een groeiende behoefte aan een op afkicken-gericht model”, zegt Arnold van de MDHG. Als het maar niet onder dwang is.

Over anaconda15

1.80 meter lang blauwe ogen Nederlands Techneut en gek op wetenschap Erg handig en visionair
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s