RE: Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629 oftewel Nederlandse corruptiepraktijken in de 16de en 17de eeuw en de ware geschiedenis van de “bevrijders”/bezetters van de Lage Landen tijdens de Spaanse overheersing tot nu toe.

Willem van Oranje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
 
Ga naar: navigatie, zoeken
Disambig-dark.svg Zie Willem van Oranje (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Willem van Oranje.
Willem I
1533 – 1584
Willem van Oranje in 1580
Willem van Oranje in 1580
Prins van Oranje
Periode 1544 – 1584
Voorganger René van Chalon
Opvolger Philips Willem
Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht (Filips II)
Periode 1559 – 1567
Voorganger Maximiliaan II van Bourgondië
Opvolger Maximilien de Hénin-Liétard
Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht (Staten-Generaal)
Periode 1572 – 1584
Voorganger Maximilien de Hénin-Liétard (Filips II, tot 1573)
Opvolger Joost de Soete (Utrecht)
Maurits van Oranje (tot 1589 alleen in Holland en Zeeland)
Stadhouder van Friesland en Overijssel
(Staten-Generaal)
Periode 1580 – 1584
Voorganger George van Lalaing (Filips II, tot 1581)
Opvolger Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg (Friesland)
Adolf van Nieuwenaar (Overijssel)
Graaf van Buren en Leerdam
Heer van IJsselstein
Periode 1551 – 1584
Voorganger Anna van Egmont
Opvolger Philips Willem
 
Vader Willem de Rijke
Moeder Juliana van Stolberg
Stamboom.png Stamboom

Willem (Slot Dillenburg, 24 april 1533Delft, 10 juli 1584), prins van Oranje, graaf van Nassau, Katzenelnbogen, Vianden en Diez, bekend als Willem van Oranje of onder zijn bijnaam Willem de Zwijger, en in Nederland vaak Vader des Vaderlands genoemd, was aanvankelijk stadhouder voor de koning van Spanje doch later de initiator, opstandelingenleider van de Opstand tegen de landsheer van de Spaanse Nederlanden, Filips II.
De Tachtigjarige Oorlog had als eindresultaat dat de Noordelijke Nederlanden zich in 1648 als onafhankelijke staat afscheidden van de Zuidelijke Nederlanden, die onder Spaanse soevereiniteit bleven. In de kronieken, brieven en documenten van de 16e eeuw wordt soms gesproken over de Opstand. Ook in de hedendaagse literatuur wordt het begin van de Tachtigjarige Oorlog veelal weer aangeduid met de Opstand of de Nederlandse Opstand.[1]
De lijfspreuk van de prins was Je maintiendrai (Ik zal handhaven). Aan het eind van zijn leven breidde de prins deze uit: Je maintiendrai l’honneur, la foy, la loi de Dieu, du Roy, de mes amis et moy (Ik zal de eer, het geloof en de wet van God, van de koning, van mijn vrienden en mij handhaven).

Inhoud

[verbergen]

Jeugd (1533-1555)

Willem van Oranje geschilderd door Anthonie Mor omstreeks 1554

Willem van Oranje werd geboren als oudste zoon van Willem de Rijke, graaf van Nassau, en Juliana van Stolberg. Zijn vader had uit een eerder huwelijk al een dochter en ook zijn moeder had uit een eerder huwelijk al vier kinderen. Geen van deze kinderen werd opvolger en stamhouder van het geslacht Nassau. Een stamhouder had de opdracht de belangen van zijn familie te waarborgen. Op 4 mei 1533 werd Willem onder grote belangstelling gedoopt. Na Willem werden in het huwelijk van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg nog vier zoons geboren:

Ook werden nog zeven dochters geboren. Willem de Rijke was alleen rijk aan kinderen. Van de zoons zou alleen de tweede (Jan van Nassau) een natuurlijke dood sterven. De anderen zouden of omkomen in de strijd (Lodewijk, Adolf en Hendrik) of worden vermoord (Willem).
Tot zijn elfde levensjaar kreeg Willem een opvoeding in lutherse zin op het stamslot Dillenburg in Duitsland. Zijn moeder was overtuigd protestant en bracht dat over op haar kinderen.
In 1544 stierf een neef van Willem, René van Chalon, die in 1530 door een erfenis onder meer het onafhankelijke prinsdom Orange verworven had. Omsloten door Frankrijk, was het een twistappel tussen Frankrijk en het Duitse rijk, de officiële soeverein. De 26-jarige René had bij testament bepaald dat Willem van Nassau zijn opvolger zou worden. Ook keizer Karel V van het Duitse rijk stemde hiermee in. De elfjarige Willem erfde hierdoor het prinsdom Orange met de prestigieuze titel van Prins. Naast de lijfspreuk Je maintiendrai Chalon dus ook de titel prins van Oranje.
Aan dit prinsdom waren zeer belangrijke voorrechten en bezittingen in de Nederlanden verbonden. Karel V verbond aan deze erfenis wel de voorwaarde: overgang tot het rooms-katholieke geloof en opvoeding aan het hof in Brussel. Om het familiebelang van de Nassaus gingen de ouders en Willem hiermee akkoord.
Aan het hof van keizer Karel werd het kind, de prins van Oranje, ingewijd tot diplomaat. Er ontstonden contacten op allerlei niveaus. Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva en staatssecretaris Granvelle leerde hij kennen. Ook kreeg hij in 1545 Karel V te zien, toen deze uit Duitsland naar Brussel was teruggekeerd, en in 1549 Karels zoon Filips, die vanuit Spanje kwam.[2] Het bleek dat de jonge prins van Oranje zich uitstekend wist te redden. Zijn levenshouding werd gekenmerkt door optimisme en welsprekendheid. Hij bleek over diplomatieke gaven te beschikken. Hij kreeg zijn bijnaam de Zwijger niet vanwege zwijgzaamheid, maar vanwege zijn gewoonte nooit het achterste van zijn tong te laten zien.
Op 8 juli 1551 trad de 18-jarige prins Willem in het huwelijk met Anna van Egmont. Zoals gebruikelijk in zijn kringen was het huwelijk gebaseerd op berekening en familiebelang. Door dit huwelijk vergrootte Willem van Oranje zijn belangen in de Nederlanden. De Nederlanden bestonden in die tijd uit 17 provinciën. Op 19 december 1554 werd Willem’s eerste zoon geboren: Philips Willem van Oranje.
De ster van de jonge prins Willem aan het hof van Karel V rees gestaag. Hij werd een van de belangrijkste edelen aan het hof. Toen Karel op 25 oktober 1555 terugtrad als koning van Spanje, keizer van Duitsland en heer der Nederlanden, leunde hij bij deze plechtigheid gehouden in Aula Magna, op de schouder van deze 22 jaar jonge prins. Hieruit sprak een groot vertrouwen van Karel V in Willem van Oranje. Tegen zijn zoon Filips II zei Karel over prins Willem: Houd deze jongeman in ere, hij kan je waardevolste raadgever en steun zijn. In deze tijd toonde Willem van Oranje zich een trouw zoon van de rooms-katholieke kerk.

Raadsman van Filips II (1555-1559)

Karel V

Het wapen van Willem van Oranje

Filips II

In 1555 werd Filips heer der Nederlanden en het jaar daarop ook koning van Spanje, waar hij overigens al vanaf 1539 als regent voor zijn vader optrad. Filips II was een overtuigd aanhanger van de rooms-katholieke kerk. De reeds in 1550 ingevoerde strenge ‘plakkaten’ tegen de aanhangers van Maarten Luther hadden zijn volledige instemming. Hij zag het als zijn levensdoel om één groot rijk te scheppen met slechts één godsdienst, het rooms-katholicisme. Op dit punt wilde Filips van geen wijken weten. De koning was een vroom, ernstig en sober mens. Hij was ook achterdochtig en kon slecht delegeren.
Prins Willem was daarentegen opgewekt, sociaal vaardig en ambitieus. Hoewel trouw aan de rooms-katholieke kerk, had hij waardering voor de kritische humanist Erasmus. De koning trachtte nadrukkelijk Willem van Oranje aan zich te binden. In 1556 werd Willem ridder in de Orde van het Gulden Vlies. In het kader van de vredesonderhandelingen met Frankrijk, die in april 1559 zouden leiden tot de vrede van Cateau-Cambrésis, kreeg Willem van Filips belangrijke diplomatieke opdrachten. Daardoor leerde hij de groten van Europa kennen. Hij ontmoette de koning van Duitsland, de koning van Frankrijk en was samen met de hertog van Alva een van de belangrijkste raadsheren van Filips. Willem werd bovendien door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht[3]. Echter, tussen Filips en de Nederlandse adel boterde het niet erg. Filips maakte liever gebruik van raadgevers van elders, zoals de Spanjaard Ruy Gómez de Silva en de topdiplomaat van Franse afkomst Nicolas Perrenot de Granvelle, die zijn vader al zo goed gediend had. Toen Filips in het najaar van 1559 naar Spanje vertrok, was geen enkele Nederlandse edelman daar echt rouwig om. Volgens niet geheel bevestigde bronnen zou hij prins Willem bij het afscheid hebben toegevoegd: Niet de Staten, maar gij, gij, gij. Filips was kennelijk vooral in Willem teleurgesteld. Ze zouden elkaar nooit meer zien.
In juni 1559, dus na het sluiten van de Vrede van Cateau-Cambrésis, zou Willem van Oranje nog een ontmoeting hebben gehad met de Franse koning. In zijn Apologie uit 1580, toen hij vogelvrij was verklaard door Filips, kwam Willem op deze ontmoeting terug. De Franse koning zou hem mededelingen hebben gedaan over het gezamenlijke plan van de katholieke vorsten Hendrik en Filips om door middel van inquisitie, vervolging, tirannie en plakkaten deze ketterij in Frankrijk en in de Nederlanden uit te roeien. Willem van Oranje geeft in zijn Apologie aan dat naar aanleiding van dit gesprek zijn weerstand en verzet tegen Filips zouden zijn ontstaan. Hierin lezen we over deze zaak het volgende:

Ik wil gaarne toegeven dat ik toen een grote mate van medelijden voelde met zovele mensen van eer die aan de dood overgeleverd waren; tevens voelde ik mee met dit land, waarmee ik zozeer verbonden ben en waar men dacht een zekere vorm van inquisitie in te voeren die wreder zou zijn dan de Spaanse.

Sommige geschiedkundigen betwijfelen de historiciteit van deze ontmoeting sterk. Klink stelt in Opstand, politiek en religie bij Willem van Oranje dat de argumenten voor ontkenning niet sterk zijn.[4] Tot 1559 zou Willem koning Filips in ieder geval nog loyaal dienen. De weerslag daarvan is te lezen in het Nederlandse volkslied: Den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.

In de oppositie (1559-1566)

Granvelle

Filips II benoemde in 1559 Margaretha van Parma tot landvoogdes voor de Nederlanden. De feitelijke machthebber was echter een vertrouweling van Filips, Antoine Perrenot de Granvelle als adviseur van Margareta, die in 1561 bovendien aartsbisschop van Mechelen werd. Er was ook een Geheime Raad waarin vertrouwelingen van Filips waren opgenomen. Filips voerde strenge plakkaten voor de vervolging van de protestanten in. Op het punt van het rijksbestuur streefde hij naar een krachtig centraal gezag, ten koste van lokale privileges, waaronder bijvoorbeeld de eigen belastingpolitiek van de Staten-Generaal. Vooral de invoering van de Tiende Penning riep heel wat spanning en weerstand onder de burgers op. De politiek inzake de religie en het landsbestuur gaf ook spanning met de adel in de Nederlanden. Onder de hoge adel kwamen onder anderen Filips van Montmorency, graaf van Hoorne, Lamoraal, graaf van Egmont en Willem van Oranje in verzet. Op 11 maart 1563 stuurden prins Willem, Hoorne en Egmont een scherpe en waarschuwende brief aan koning Filips II. Het resultaat van dergelijke brieven was echter averechts. Het deed Filips II zich nog meer vastbijten in zijn voorgestane intimidatiepolitiek.
De achterdocht van Filips II tegen prins Willem werd bovendien gevoed door Willems huwelijk, na het overlijden van Anna van Egmont in 1558, met Anna van Saksen op 25 augustus 1561 in Leipzig. Uit het oogpunt van familiebelangen was dit huwelijk nauwkeurig overwogen. Door dit huwelijk kreeg prins Willem belangrijke relaties onder de Duitse vorsten. Willem van Oranje was in deze tijd weliswaar nog steeds rooms-katholiek, maar Anna was een dochter van de lutherse keurvorst van Saksen, Maurits van Saksen.
De Geheime Raad kreeg steeds meer invloed op de feitelijke gang van zaken. De Raad van State werd als regeringscollege amper serieus genomen. De prins protesteerde door van juni 1563 tot augustus 1564 uit de vergaderingen van de Geheime Raad weg te blijven. Najaar van 1564 wendde de Raad van State zich opnieuw tot Filips over de gevolgen van de gevoerde politiek. In de besluitvorming over de brief aan de koning sprak prins Willem op 31 december 1564 een beroemde rede uit, de zogenaamde ‘Oudejaarsrede’. De rede behoort tot de hoogtepunten in de Nederlandse geschiedenis, maar slechts delen zijn bewaard gebleven. In deze urenlange rede voerde hij openlijk en duidelijk een pleidooi voor gewetensvrijheid van de onderdanen. Lange tijd is hieruit door latere geschiedschrijvers de volgende zin uit geciteerd: Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen. Dit is echter onvolledig, want bijvoorbeeld Viglius noteerde dat hij had gezegd: En hoewel hij [Willem van Oranje] zelf besloot te hechten aan de katholieke godsdienst, kon het hem echter niet behagen, dat vorsten willen heersen over het geweten van mensen, en hen de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.[5] Dat Willem hier zou hebben gezegd dat hij hechtte aan het katholieke geloof, zou ongemakkelijk kunnen zijn voor Nederlandse (protestantse) geschiedschrijvers, en het eerste zinsdeel wordt dan ook nog steeds vaak weggelaten; feit blijft dat Willem van Oranje pas eind 1573 weer protestants werd (zie verderop).
Op 18 januari 1565 bracht Egmont de wens van de Raad van State over aan Filips II. In de beruchte Brieven uit het bos van Segovia wees Filips het verzoek van de Raad van State radicaal af. De plakkaten werden zelfs verscherpt, mede naar aanleiding van de besluiten van het Concilie van Trente dat de protestanten vervloekte in 126 ‘anathema’s’. Bovendien moesten de belastingmaatregelen zo nodig met geweld worden ingevoerd. De centralisatie van de besluitvorming werd doorgedrukt. Het conflict tussen Filips en prins Willem was een feit. De aanloop naar de Opstand was begonnen. Op 25 december 1565 werd het Verbond der Edelen opgericht.[6] Willem wachtte de komst van Alva echter niet af. Hij vluchtte in april 1567 met zijn gezin naar Duitsland, waarna markies Maximilien de Hénin-Liétard op 17 juni 1567 benoemd werd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en deze Willems functie als stadhouder dus overnam. Alleen Willems 13-jarige zoon Filips Willem bleef achter in Leuven, waar hij studeerde. Hij werd afgevoerd naar Spanje, om een goede katholieke opvoeding te krijgen. Willem zou hem nooit meer terugzien. Margaretha trad af als landvoogdes uit protest tegen Alva, die haar betrekkelijk verzoeningsgezinde beleid doorkruiste. Alva werd benoemd als haar opvolger.

Strijd vanuit Duitsland (1567-1572)

Willem van Oranje op latere leeftijd

Op 13 maart 1567 vond bij Antwerpen de Slag bij Oosterweel plaats. Philips van Lannoy, Heer van Beauvoir en kapitein van de lijfwacht van Margaretha van Parma, versloeg in deze slag een leger van de Geuzen onder leiding van Jan van Marnix, Heer van Toulouse. De overlevende gevangengenomen Geuzen werden niet als krijgsgevangenen maar als ketterse rebellen beschouwd en als zodanig behandeld. Ze werden ter dood gebracht op het rad of aan de galg. Willem van Oranje was o.a. burggraaf van Antwerpen, en weigerde zelf en verbood ook de Antwerpenaren om vanuit de stad de Geuzen te hulp te komen. Toch viel op 16 december 1567 in de Raad van Beroerten het besluit om ook prins Willem van Oranje te vervolgen. De dagvaarding werd al in januari 1568 openbaar gemaakt. Al zijn bezittingen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en zijn zoon Philips Willem werd naar Spanje afgevoerd om daar een degelijke katholieke opleiding te krijgen. De prins begon vanuit de Dillenburg in Duitsland met het aanwerven van troepen en nam de wapens op tegen de hertog van Alva. Willem van Oranje rechtvaardigde zijn verzet tegen de koning en weersprak de beschuldiging en veroordeling door de Raad van Beroerten in de volgende documenten:

  1. La justification du prince d’Oranges (de Verantwoordinge). Op het titelblad van dit document staat een Bijbeltekst uit Psalm 37, De goddeloze beloert de rechtvaardige, en zoekt hem te doden. Maar de Heere laat hem niet in diens handen vallen en houdt hem niet voor onrechtvaardig, ook al wordt hij geoordeeld(Psalm 37:32-33). Een Bijbeltekst die in verdedigingsgeschriften vaak voorkomt.
  2. Summarische Anzeige.
  3. Printzische Entschuldigung. Recent onderzoek van Klink heeft aan het licht gebracht dat in de Printzische Entschuldigung verzetsmotieven van Luther en Calvijn terugkomen.

Hierna lanceerde Oranje zijn eerste invasie in de Nederlanden. Zijn zwager Willem IV van den Bergh werd als eerste verslagen in de slag bij Dalheim (25 april 1568). Op 25 mei 1568 leverde een legertje van Oranje, onder leiding van zijn broer Lodewijk, slag tegen de koningsgezinden onder leiding van de stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, graaf van Arenberg in de Slag bij Heiligerlee. Het was een overwinning voor de opstandelingen, maar hier sneuvelde wel Willems broer Adolf. Alva wist het effect te neutraliseren door de onthoofding op 6 juni 1568 op de markt in Brussel van Egmont en Hoorne. Daarna ging het slecht met de krijgsverrichtingen van Oranje. Hij verloor in 1568 de Slag bij Jemmingen in Oost-Friesland. Ook in Brabant verloor hij de slag bij Geldenaken tegen Alva op 22/23 oktober 1568. Alles bij elkaar leverde het jaar 1568 militair-strategisch slechts winst voor de Spanjaarden, en de financiële middelen van de prins waren eigenlijk uitgeput. Wel trachtte Willem in de volgende jaren, 1569-1571, slag te leveren, maar blijvende winst of opstand onder de bevolking leverde dit alles niet op. De door de prins verwachte steun vanuit Duitsland was ook zeer gering. Zijn hoop op steun van de Hugenoten, die te lijden hadden onder de Spaanse interventie in de Hugenotenoorlogen in Frankrijk, bleek ijdel te zijn. Van een opstand onder de gewone bevolking in de Nederlanden was ook geen sprake. Wel ontving de prins enige steun van her en der verspreide en vervolgde calvinisten, hoewel hijzelf nog geen calvinist was. Dezen woonden in Emden (Oost-Friesland), Londen, Frankfurt, Straatsburg, etc., waar vluchtelingengemeenten waren. Militaire steun kreeg de prins van de watergeuzen, wier bezittingen ook geconfisqueerd waren. Aan hen reikte hij kaperbrieven uit om Spaanse schepen te plunderen.

Strijd in Holland en Zeeland (1572-1576)

De druk op de bevolking nam toe. Alva voerde de Tiende Penning in, een vorm van belasting die enorm veel verzet opriep. De Nederlanden werden in 1571 door de pest geteisterd. Duizenden calvinisten vluchtten het land uit. In 1572 werden Naarden en Mechelen uitgemoord door Alva’s troepen, bij wijze van intimidatie, die echter averechts werkte. Zelfs in het katholieke zuiden, in Brussel, ontstond een winkelstaking tegen de belastingvoorstellen van Alva.
Tijdens toenemende spanningen veroverden de watergeuzen op 1 april 1572 Den Briel. Weliswaar gingen deze watergeuzen wel vaker aan land om te roven en te plunderen, maar op 1 april 1572 besloten ze bij toeval in Den Briel te blijven en hesen de geuzenvlag boven Den Briel. De invloed op latere ontwikkelingen van deze verovering van Den Briel waarbij, ondanks Willems verbod, ook negentien monniken werden vermoord, kan moeilijk worden overschat. Het was een signaal voor een algemene volksopstand waar Oranje en zijn broers al vijf jaar op uit waren. Onmiddellijk riep de prins de bevolking in een schrijven van 14 april 1572 [7] op tot verzet. Op 6 april 1572 verklaarde Vlissingen zich voor de prins. Op 1 mei volgde Terneuzen, op 3 mei Veere, en 21 mei Enkhuizen, strategisch gelegen aan de Zuiderzee. Binnen twee maanden schaarden 26 steden in Holland en Zeeland zich achter de prins. In het najaar van 1572 waren in Holland en Zeeland alleen Amsterdam, Middelburg en Goes nog in Spaanse handen. Andere steden kozen tegen de koning, voor de prins. Het jaar 1572 vormde zo een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Opstand.

Marnix van Sint Aldegonde

De Staten van Holland vergaderden van 15 tot 29 juli in Dordrecht. De prins zond Filips van Marnix van Sint-Aldegonde als zijn gezant naar deze vergadering. Hij gaf Marnix een duidelijke instructie, d.d. 13 juli 1572, mee.[8] Oranje hoopte weer op steun van de Franse Hugenoten, maar na de Bartholomeusnacht, ofwel de Bloedbruiloft (24 en 25 augustus 1572), leek dit uitgesloten. Ook door financiële tekorten verliep de strijd in Brabant desastreus. Alva wist in het najaar zonder slag of stoot Mechelen te nemen. De prins trok zich daarop terug naar Holland. Op 20 oktober 1572 was hij in Enkhuizen. In december 1572 begon het beleg van Alva rond Haarlem. In de jaren 1572-1576 wist de prins de steden te bewegen tot een opstand tegen Filips. In december 1573 hield de prins een toespraak tot de kapiteins van de Zeeuwse vloot. Zo diep was de indruk die zijn woorden maakten, dat de officieren als één man uitriepen te zullen vechten tot de laatste druppel bloed, al zouden ze een jaar geen geld ontvangen en ook alles verliezen wat zij bezaten.[9]
Bij de protestanten kon de prins geen kwaad doen; de katholieken echter bleven terughoudend. De prins ging eind 1573 weer over naar het protestantisme. Hij bezocht in deze periode verschillende steden in Holland en Zeeland. De situatie bleef wankel. Haarlem gaf zich in juli 1573, na een beleg van 9 maanden, over aan de Spanjaarden. Alkmaar wist echter een Spaans beleg te doorstaan, tot het op 8 oktober 1573 door de watergeuzen werd ontzet.
Op 18 december 1573 verliet Alva de Nederlanden. Zijn missie was mislukt. Volgens Voltaire heeft de Spaanse hertog in zijn campagne ruim 15.000 Nederlanders ter dood laten brengen. Zijn opvolger was Requesens. In april 1574 sneuvelden de jongere broers van Willem, Lodewijk en Hendrik, in de Slag op de Mookerheide, maar in mei werd de Spaanse vloot op de Zuiderzee verslagen door de watergeuzen, onder leiding van admiraal Lodewijk van Boisot. Middelburg werd door de geuzen ingenomen en Leiden werd op 3 oktober 1574 door admiraal Boisot ontzet. Oranje legde in oktober 1574 in de Staten van Holland belangrijke verklaringen af over de voortgang en het doel van de Opstand. Via zijn netwerk zocht hij in Engeland, Frankrijk en onder de Duitse vorsten steun.
Zijn huwelijk met Anna van Saksen was inmiddels ontbonden, nadat zij krankzinnig verklaard was. In 1568 was zij wel de moeder geworden van prins Maurits. Op 12 juni 1575 trouwde de prins met Charlotte de Bourbon. In tegenstelling tot de andere huwelijken, zo blijkt uit zijn briefwisseling, ging het hier niet om een huwelijk uit louter berekening maar om wederzijdse genegenheid. Op 11 juli 1575 droegen de Staten van Holland en Zeeland aan prins Willem de Hoge Overheid op.[10]

Het onbereikbare ideaal (1576-1579)

De Unies van Utrecht en Atrecht

In maart 1576 overleed landvoogd Requesens plotseling, terwijl Spanje in ernstige financiële moeilijkheden verkeerde. De onrust nam in de loop 1576 in alle 17 gewesten toe doordat de Spaanse soldaten, die geen soldij kregen, aan het muiten sloegen. De prins speelde hierop in en wist in deze periode in alle gewesten een goede positie te verwerven. Begin 1576 riep bijvoorbeeld Gent de hulp van de prins in tegen de Spanjaarden. De muiterij bereikte een dieptepunt met de Spaanse Furie, toen Antwerpen op 4 november zwaar te lijden had van plundering en brandschatting. De afkeer van Spanje was toen algemeen, zowel onder protestanten als katholieken. Op 8 november 1576 kon Willem daardoor zijn grootste politieke succes boeken met de Pacificatie van Gent. Deze legde de bestaande toestand in alle 17 gewesten van de Lage Landen op het terrein van de religie vast en verenigde die tegen het Spaanse gezag. Op 22 september 1577 werd Oranje feestelijk onthaald in Brussel.[11] Op 18 september 1577 was Oranje in Antwerpen, de grootste stad van de Lage Landen. De macht en invloed van Oranje bereikten een hoogtepunt. De nieuwe landvoogd Juan van Oostenrijk moest met lede ogen de intocht van Oranje in Brussel aanzien. ‘Als was hij de Messias in eigen persoon’, zei Don Juan.
Verzoening met koning Filips en vrijheid van godsdienst voor de calvinisten waren echter niet te combineren. De Pacificatie van Gent liep op een mislukking uit. De calvinisten, die heer en meester waren in Holland en Zeeland, wilden geen vrijheid voor de katholieken. De katholieken wilden in de gebieden waar zij de overhand hadden, geen vrijheid voor de calvinisten. De Unie van Atrecht (met name de Franstalige gewesten) en de Unie van Utrecht (met name de Nederlandstalige gewesten) in 1579 betekenden het begin van de eigen weg van Noord- en Zuid-Nederland. Uiteindelijk bleek Oranjes ideaal van één land met één landheer en religievrijheid te hoog gegrepen.
Het noorden, verenigd in de Unie van Utrecht, vervolgde onder leiding van de prins en Holland en Zeeland de weg van de Opstand. Verschillende vredesbesprekingen, onder andere in Keulen, liepen op niets uit. Filips wilde onder geen beding vrijheid van godsdienst toestaan.

Laatste levensjaren (1579-1584)

Parma slaat terug; Plakkaat van Verlatinghe

Alexander Farnese

De laatste jaren van zijn leven waren voor de prins moeilijk. In 1579 kwam Alexander Farnese, de zoon van Margareta van Parma, en latere hertog van Parma, als landvoogd naar de Nederlanden. De hertog van Parma was een geduchte tegenstander, die door militaire en politieke behendigheid het zuiden grotendeels voor de koning wist te behouden. In augustus 1579 ontsnapte Willem tijdens de slag om Baasrode, bij Antwerpen, ternauwernood aan gevangenneming door Spaanse troepen. Op 15 maart 1580 tekende de koning een vogelvrijverklaring van de Prins van Oranje.[12] De prins verdedigde zich hiertegen in zijn Apologie. De Staten gaven op 17 december 1581 toestemming de Apologie te laten drukken en uit te geven.
Op Willems initiatief werd de Franse kroonprins, de Hertog van Anjou, naar de Nederlanden gehaald. Hij zou als een soort boegbeeld de soevereiniteit op zich moeten nemen, met als bedoeld effect dat Frankrijk een bondgenoot zou worden tegen de gemeenschappelijke vijand Spanje. Dit liep uit op een heftige competentiestrijd tussen de hertog van Anjou en de Staten-Generaal, die de feitelijke macht wilden blijven uitoefenen. Op 5 juli 1581 droegen de Staten van Holland en Zeeland de Hoge Overheid opnieuw op aan de prins van Oranje. Op 26 juli 1581 zwoeren de Staten-Generaal Filips II formeel af als koning in de Plakkaat van Verlatinghe; tot dan toe ging de Opstand in wezen om niet meer dan herstel van traditionele vrijheden en privileges van de provincies. Dit plakkaat is een van de geboortepapieren van de Nederlandse natie. Daarmee was de jonge republiek nog niet van Frans van Anjou af. Op 19 februari 1582 hield hij met zijn troepen een ‘blijde inkomst’ in Antwerpen om zijn machtspositie te versterken, maar dat liep op een ramp uit. De wantrouwende Antwerpse bevolking vreesde een ‘Franse furie’ en slachtte 1500 man van zijn Franse troepen af. Daarop hield Anjou het voor gezien en keerde terug naar Frankrijk. Het idee van Willem om Anjou binnen te halen werd hem algemeen kwalijk genomen.
Na Willems vogelvrijverklaring werden er verschillende aanslagen op het leven van de prins gepleegd. Op 18 maart 1582 pleegde Jean Jaureguy in Antwerpen een mislukte aanslag. Op 5 mei 1582 overleed Charlotte de Bourbon die hem ten koste van haar eigen gezondheid verpleegd had. De prins huwde op 12 april 1583 met Louise de Coligny, dochter van de leider van de Hugenoten in Frankrijk. Op 29 januari 1584 werd Frederik Hendrik geboren. De toestand in de Nederlanden werd echter zienderogen moeilijker. Parma wist op allerlei gebied het initiatief te krijgen. Op 22 juli 1583 moest Oranje Antwerpen verlaten. In mei 1584 verzoende Brugge zich met Parma. De Zuidelijke Nederlanden kwamen weer onder Spaanse heerschappij.

Moord en terechtstelling van de moordenaar

De kogelgaten in de muur, stille getuigen van de moord op Oranje

De kogelgaten in detail

Enkele uren na de moord werd in Delft een vergadering van de Staten Generaal gehouden. In de kantlijn van het verslag schreef iemand de laatste woorden van Willem van Oranje: “Mon Dieu ayez pitie de mon âme; Mon Dieu ayez pitie de ce pauvre peuple” (Mijn God, heb medelijden met mijn ziel. Mijn God, heb medelijden met dit arme volk)[13]

Op 10 juli 1584 pleegde de Fransman Balthasar Gerards (die zich voordeed als de protestant François Guyan) zijn fatale aanslag. Oranje lunchte die middag met Rombertus van Uylenburgh, burgemeester van Leeuwarden[14], zijn zus, zijn vrouw en zijn dochter in de Prinsenhof te Delft. Oranje wilde van deze Friese rechtsgeleerde in het bijzonder informatie over het unieke Friese rechtssysteem. Na deze maaltijd liep Oranje de trap af en werd van zeer korte afstand door Gerards met een pistool[15] doodgeschoten. Oranje’s laatste woorden waren in het Frans en zouden zijn geweest: Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple, wat wordt vertaald als: “Mijn God, Mijn God, heb medelijden met mij en met dit arme volk”.
De moordenaar werd na een wilde achtervolging gegrepen en veroordeeld tot de zwaarste lijfstraf die er beschikbaar was:

“Zijn rechterhand waarmee hij het moorddadige feit gepleegd heeft, zal met een gloeiende tang afgeknepen worden; vervolgens zal men met gloeiende tangen op verscheidene plaatsen op zijn lichaam het vlees afknijpen tot op het bot. Vervolgens vierendele men hem levend waarna het hart uit zijn borstkas gesneden en hem in het gezicht geworpen zal worden. Tenslotte zal men zijn hoofd afhakken waarna zijn vier uiteengetrokken delen op de Haagpoort, Oostpoort, Ketelpoort en de Waterslootsepoort tentoongesteld dienen te worden. Zijn hoofd moet op een staak gespietst en vervolgens bij het voormalige huis van de prins geplaatst worden.”

Gerards tartte desondanks zijn beulen, die daardoor meenden dat ze met de duivel zelf te maken hadden. Het hoofd prijkte enige tijd als afschrikwekkend voorbeeld op de stadsmuur tot de priester Sasbout Vosmeer – hij was apostolisch vicaris in Delft – het meenam naar de bisschop van Keulen, die er overigens weinig prijs op stelde.
Twee weken na de moord op Willem van Oranje werd op 25 juli 1584 in de Sint-Janskathedraal van ‘s-Hertogenbosch uit dankbaarheid het Te Deum gezongen door kanunniken. De blijdschap was echter van korte duur. Diezelfde avond sloeg de bliksem in de toren en ontstond er grote schade aan de kathedraal. De hoge middentoren brandde geheel af, klokken vielen uit de toren, altaren en het orgel van Hendrik Niehoff uit 1533 werden onherstelbaar beschadigd. De schilder Hans van de Ven heeft dit tafereel op doek vastgelegd.[16]

Nalatenschap en betekenis

Welke rol Oranje voor zichzelf had weggelegd, zal wel een eeuwige discussie tussen historici blijven.[17] De prins overleed [18] en de zaak van de Opstand leek in deze tijd op een dieptepunt gekomen. De politiek-maatschappelijke alsmede de strategische leiding viel na de dood van de prins feitelijk in handen van de uiterst bekwame landsadvocaat van Holland, Johan van Oldenbarnevelt. Na ongelukkige pogingen om buitenlandse vorsten aan de Republiek te binden via de Franse kroonprins Frans van Anjou en Robert Dudley, de graaf van Leicester, als vertrouweling van Elizabeth I van Engeland, was rond 1589 de rolverdeling tussen Willem van Oranje’s zoon Maurits van Nassau en Oldenbarnevelt duidelijk. De militaire leiding kwam in handen van Maurits. Van Oldenbarnevelt wist voor de Staten in de loop van circa 15 jaren de zaak van de Republiek effectief te bepleiten. Zij bleken in staat het tij van de Tachtigjarige Oorlog definitief ten gunste van de Republiek te keren.

Standbeeld van Willem van Oranje op het Plein in Den Haag

Diverse historici oordeelden uitvoerig over Willem van Oranje:
In 1642 geeft P.C. Hooft zijn Nederlandse Historiën uit. De geschiedenis van de Opstand en het leven van Willem van Oranje worden uitvoerig beschreven. Het eindoordeel van de 17e eeuwse Hooft over Willem van Oranje is dan nog als volgt:

“Immers dit zal niemand loochenen, dat geen vorst onder de zon ooit vuriger bemind, en hoger geachte mocht worden van zijn onderdanen, dan Zijne Doorluchtigheid geweest is van Hollanders en Zeeuwen”[19].

De Belgische historicus Henri Pirenne kwalificeerde de moord op Oranje als een nutteloos misdrijf. Willem van Oranje had immers zijn betekenis al lang verloren. Hij was nauwelijks in staat geweest de opmars van Parma het hoofd te bieden. De moord op deze prins en opportunistische diplomaat is later door de Oranjefactie echter flink politiek uitgebuit.
De historicus Jan Romein rekende hem tot de erflaters van de Nederlandse beschaving. Willem van Oranje stond volgens hem aan de wieg van de Nederlandse natie. De pretenties van de Habsburgers (het stichten van een centraal geleid wereldrijk met één godsdienst) zouden zijn stukgelopen op zijn vasthoudendheid.

Chronologie

1530 – 1550

1550 – 1560

  • 8 juli 1551: De prins van Oranje huwt Anna van Egmont, gravin van Buren. Door dit huwelijk krijgt hij grotere belangen in de Nederlanden.
  • 29 maart 1552: Willem wordt ingehuldigd als baron van Breda.
  • 1552-1555: Hij dient als overste in het leger van keizer Karel V.
  • 25 oktober 1555: Karel V doet afstand van de troon. Zijn zoon Filipsvolgt hem op als heer der Nederlanden.
  • 24 maart 1558: Anna van Egmont, de eerste vrouw van prins Willem, overlijdt.
  • 1558-1559: Willem heeft een buitenechtelijke relatie met Eva Elincx waaruit een buitenechtelijke zoon Justinus van Nassau(later onder andere admiraal) voortkomt.
  • 1559: Willem wordt door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

1560 – 1568

  • 25 augustus 1561: Willem huwt met Anna van Saksen.
  • 11 maart 1563: Willem richt samen met de graven van Hoorne en Egmont een scherpe brief aan Filips II.
  • augustus 1563 – maart 1564: Prins Willem woont de vergaderingen van de Raad van State niet bij in verband met zijn protest tegen de godsdienstpolitiek van Filips II.
  • 13 maart 1564: Granvellevertrekt uit het landsbestuur. Oranje bezoekt weer de vergaderingen van de Raad van State.
  • 31 december 1564: Oranje houdt een urenlange rede in de Raad van State over de godsdienstpolitiek, de inquisitie, de Plakkaten en de plaats van de Staten-Generaal. Hij doet publiekelijk de uitspraak: Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over de gewetens heersen.
  • 18 januari 1565: Egmont is in Madrid om verzachting van het beleid te vragen. Filipswijst dit af.
  • juli 1565: Een graantekort dreigt in de Nederlanden. Er is maatschappelijke onrust.
  • 20 oktober 1565: De Brieven van Segoviakomen aan in de Nederlanden. Elke vorm van versoepeling van het ingezette beleid wordt radicaal afgewezen.
  • 24 december 1565: De oprichting van het Verbond der Edelen onder leiding van Lodewijk van Nassau en Hendrik van Brederode.
  • 23 januari 1566: Willem van Oranje verdedigt in een brief aan Margaretha van Parmaeen vorm van godsdienstige tolerantie. Protestanten zouden vrijheid van godsdienst moeten hebben.
  • 5 april 1566: Het verbond der edelen biedt een smeekschrift aan de landvoogdes aan. Haar raadgever Berlaymont typeert de edelen als gueux(bedelaars). Hieruit ontstaat later de naam geuzen.
  • 13 juli 1566: Willem van Oranje bezoekt het onrustige Antwerpen. Hij weet de rust te herstellen, mede door de protestanten een zekere vorm van godsdienstvrijheid toe te staan. Oranje heeft hier de eerste ontmoetingen met de calvinisten.
  • 10 augustus 1566: In Vlaanderen begint de Beeldenstorm. Oranje had dit verwacht en hoopt erop dat Filipsnu aan de wensen van het volk zal toegeven. De Beeldenstorm houdt aan tot 21 augustus.
  • 3 oktober 1566: Oranje heeft een onderhoud met Egmont en Hoorne. Hij merkt dat beide heren zich niet sterk willen maken tegen Filips II.
  • 15 april 1567: Willem vertrekt uit Breda naar Duitsland (Dillenburg). Maximilien de Hénin-Liétardwordt Willems opvolger als stadhouder.
  • 22 augustus 1567: Alvakomt aan in Brussel. Hij is de nieuwe landvoogd.
  • september 1567: De Raad van Beroertenwordt ingesteld. Egmont en Hoorne worden gevangengezet.
  • 16 december 1567: De Raad van Beroerten besluit tot vervolging van Willem van Oranje.
  • januari 1568: Willem wordt openbaar gedagvaard voor de Raad van Beroerten. Zijn bezittingen in de Nederlanden worden verbeurd verklaard.
  • 14 februari 1568: Willems oudste zoon Philips Willem wordt gevangengenomen en naar Spanje overgebracht.
  • 3 maart 1568: Willem antwoordt officieel op de dagvaarding met La justification du prince d’Oranges.
  • 25 mei 1568: Willem biedt slag bij Heiligerleetegen Alva met een leger onder leiding van zijn broer Lodewijk. Adolf sneuvelt in deze strijd.
  • 6 juni 1568: Egmont en Hoorne worden onthoofd te Brussel.
  • 22-23 oktober 1568: Willem verliest de slag in Brabant.

1568 – 1580

  • 1568-1571: Prins Willem probeert regelmatig slag te leveren met Alva en de Spanjaarden. Alva heeft echter nadrukkelijk de overhand. Steun van elders blijft uit. Ook ontstaat er geen volksopstand in de Nederlanden. De onderdrukkingspolitiek van Alva lijkt succesvol.
  • 1 april 1572: De watergeuzen veroveren Den Briel. Onder de bevolking ontstaat brede steun voor Willems verzet tegen de Spanjaarden. De Opstand begint. Op 6 april verklaart Vlissingen zich voor de prins. Op 1 mei volgt Terneuzen, eind mei Enkhuizen. Begin juli hebben 26 steden zich voor de prins verklaard. In het najaar van 1572 zijn in Holland en Zeelandalleen Amsterdam, Middelburg en Goes nog in Spaanse handen. Alle andere delen van Holland en Zeeland staan achter de prins.
  • 15-29 juli 1572: Vergadering van de Staten in Dordrecht. De prins laat zich vertegenwoordigen door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.
  • 20 oktober 1572: Terugkomst prins, intocht in Enkhuizen.
  • 9 augustus 1573: Oranje zendt een brief aan de Staten ter aanmoediging van de opstand.

Willem van Oranje, Gebrandschilderd Glas 25 in de Sint-Janskerk in Gouda: “Het ontzet van Leiden”

  • 8 oktober 1573: Alkmaarwordt ontzet.
  • oktober 1573: De prins gaat over tot het calvinisme.
  • 18 december 1573: Alva verlaat de Lage Landen. Zijn opvolger is Requesens.
  • december 1573: De Spanjaarden slaan het beleg rond Leiden.
  • 19 februari 1574: Middelburgwordt door de watergeuzen genomen.
  • mei 1574: De Spaanse vloot wordt op de Zuiderzeedoor de watergeuzen verslagen.
  • 3 oktober 1574: Leiden wordt door de watergeuzen, onder leiding van admiraal Lodewijk van Boisot, ontzet.
  • oktober-november 1574: De prins legt in de Statenvan Holland belangrijke verklaringen af over de voortgang van de Opstand en de voorwaarden voor vrede.
  • 12 juli 1575: Prins Willem treedt in het huwelijk met Charlotte de Bourbon.
  • 8 november 1576: De Pacificatie van Gent.
  • 18 september 1577: Oranje bemiddelt bij de spanningen en onrust in Antwerpen.
  • 22 september 1577: Oranje houdt een intocht in Brussel.
  • 4 januari 1578: De prins is in Gent.
  • 6 januari 1579: Unie van Atrecht.
  • 23 januari 1579: Unie van Utrecht.
  • 28 juli 1579: De prins legt tegenover de Staten-Generaal verantwoording van zijn handelen af.

Praalgraf in de Nieuwe Kerk in Delft

1580 – 1584

Huwelijken en kinderen

1rightarrow.png Zie Huwelijken van Willem van Oranje voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Willem van Oranje is viermaal getrouwd geweest. Achtereenvolgens waren zijn vrouwen:

  1. Anna van Egmont van Buren (1551-1558), het huwelijk eindigde door het overlijden van Anna van Egmont. Ze was de dochter van Maximiliaan van Egmont(Graaf van Buren en van Leerdam) en van Françoise de Lannoy.
    1. Maria(22 november 1553 – 7 december 1555?).
    2. Philips Willem(19 december 1554 – 20 februari 1618), Prins van Oranje, trouwde met Eleonora de Bourbon-Condé
    3. Maria (7 februari 1556 – 10 oktober 1616), gehuwd met Filips van Hohenlohe
  2. Anna van Saksen (1561-1571), huwelijk eindigde door nietigverklaring
    1. Anna (31 oktober 1562, vrijwel direct daarna overleden)
    2. Anna (5 november 1563 — 13 juni 1588), gehuwd met Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg
    3. Maurits(18 december 1564 – 8 december 1566)
    4. Maurits(14 november 1567 – 23 april 1625), stadhouder
    5. Emilia (10 april 1569 – 16 maart 1629), gehuwd met Emanuel van Portugal
  3. Charlotte de Bourbon(1575-1582), huwelijk eindigde door het overlijden van Charlotte de Bourbon
    1. Louise Juliana (31 maart 1576 – 15 maart 1644), gehuwd met Frederik IV van de Palts
    2. Elisabeth van Nassau (26 april 1577 – 3 september 1642), gehuwd met Henri de La Tour d’Auvergne
    3. Catharina Belgica (3 of 31 juli 1578 – 12 april 1648), gehuwd met Filips Lodewijk II van Hanau-Münzenberg
    4. Charlotte Flandrina (18 augustus 1579 – 16 april 1640), abdis van het klooster van St. Croix bij Poitiers
    5. Charlotte Brabantina (17 september 1580 – augustus 1631), gehuwd met Claude de la Trémoille, hertog van Thouars
    6. Emilia Secunda Antwerpiana (9 december 1581 – 28 september 1657), gehuwd met Frederik Casimir van Zweibrücken-Landsberg
  4. Louise de Coligny(1583-1584), huwelijk eindigde door het overlijden van Willem van Oranje
    1. Frederik Hendrik (29 januari 1584 – 14 maart 1647), stadhouder

Willem van Oranje verwekte bij Eva Elincx een zoon: Justinus van Nassau (1559-1631).

Voorouders

De voorouders van Prins Willem van Oranje
Prins Willem van Oranje, Graaf van Nassau
(1533-1584)
Vader:
Graaf Willem van Nassau
Willem de Rijke
(1487-1559)
Grootvader:
Graaf Jan V van Nassau
(1455-1516)
Overgrootvader:
Graaf Jan IV van Nassau
(1410-1475)
Overgrootmoeder:
Gravin Maria van Loon-Heinsberg
(1424-1502)
Grootmoeder:
Landgravin Elisabeth van Hessen-Marburg
(1466-1523)
Overgrootvader:
Landgraaf Hendrik III van Hessen
(1441-1483)
Overgrootmoeder:
Anna van Katzenelnbogen
(1443-1494)
Moeder:
Gravin Juliana van Stolberg
(1506-1580)
Grootvader:
Bodo III van Stolberg
(1467-1538)
Overgrootvader:
Hendrik van Stolberg
(1436-1511)
Overgrootmoeder:
Mathilde van Mansfeld
(1440-1468)
Grootmoeder:
Anna van Eppenstein-Königstein
(1481/2-1538)
Overgrootvader:
Philipp van Eppenstein-Königstein
(† rond 1481)
Overgrootmoeder:
Louise de la Mark
(1450-1524)

Bibliografie

  • Olaf Mörke, Willem van Oranje. Vorst en vader van de republiek, Atlas, 300 blz. (vertaling van: Wilhelm von Oranien: (1533–1584). Fürst und “Vater” der Republik, Stuttgart 2007, ISBN 3-17-017669-2)

Trivia

  • Willem van Oranje’s wapenschild en wapenspreuk Je maintiendrai (ik zal handhaven) werden overgenomen voor het nationale Nederlandse wapenschild en de wapenspreuk.
  • De originele kleuren van de Nederlandse vlag (oranje, wit, blauw) stammen af van de livreikleuren van Willem (Prinsenvlag).
  • Het Nederlandse volkslied (sinds 1932), het Wilhelmus, is een ode aan hem.[20]
  • Willem van Oranje is ook opgenomen in de eregalerij van reformatoren uit de 16e eeuw. Deze galerij bevindt zich in Genève.[21] Naast de beeltenis van Willem van Oranje is geschreven: D’ondersaten en zijn niet van Godt gheschapen tot behoef van den prince om hem in alles wat hy beveelt weder het goddelick oft ongoddelick recht oft onrecht is onderdanigh te wezen ende als slaven te dienen maer den prince om d’ondersaten will sonder dewelcke hy geen prince en is om deselve met recht ende redene te regeren.
  • Willemstadin Noord-Brabant is naar Willem de Zwijger vernoemd.
  • Willem van Oranje is als één van de vijftig thema’s opgenomen in de canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.
  • De Internationale Astronomische Unie maakte dinsdag 22 januari 2008 bekend dat een kleine planeet, voorheen bekend als nummer 12151, voortaan Oranje-Nassau heet ter ere van Willem van Oranje. Planetoïde Oranje-Nassau heeft een doorsnede van ongeveer vijf kilometer en draait tussen de banen van Mars en Jupiter. Het rotsachtige object doet drie aardse jaren en negen aardse maanden over een omloop om de zon.
  • In 2005 werd Willem van Oranje genomineerd voor de titel De grootste Nederlander. Hij eindigde op de tweede plaats, al bleek een groot aantal telefonische stemmen niet op tijd ter plekke te zijn gekomen. Indien die ook geteld waren zou Willem van Oranje de winnaar zijn geweest.
  • Er zijn 2 dvd’s verschenen over het leven van Willem van Oranje. De ene bevat de film “Willem van Oranje” uit 1934; de andere is de televisieserie “Willem van Oranje“uit 1984.

Externe links

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:


  1. Zie bijvoorbeeld Arie van Deursen in zijn recent verschenen studie over de 17e eeuw: De last van veel gelukp. 71-115.
  2. Chronologie Willem Van Oranje Een tijdlijn van het leven van Willem van Oranje (pdf) Voor snelle weergave, zie hier
  3. Geschiedenis van Zuid-Holland – Willem van Oranje: stadhouder in oorlogstijd
  4. Klink, p. 89-94
  5. Oorspronkelijk in Latijn: Et quamquam ipse Catholicae Religione adhaerere constituerit, non posse tamen ei placere, velle Principes animis hominum imperare, libertatemque Fidei et Religionis ipsis adimere.. Fragment uit Viglius’ autobiografie, uitgegeven in 1743. Voor andere bronnen en vertalingen, zie Willem van Oranje spreekt de Raad van State toe: de Oudejaarsrede
  6. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  7. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  8. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  9. Willem van Oranje, Van Deursen, p. 57
  10. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  11. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  12. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  13. Universiteit Leiden: Tachtigjarige oorlog
  14. Van Uylenburgh zou in 1612 vader worden van Saskia, de latere echtgenote van Rembrandt van Rijn
  15. Pistool van de moord op Willem van Oranje – uitzending OVT, 3 oktober 2010
  16. Zie halverwege de webpagina het schilderij van Hans van de Ven van de in brand staande Sint-Janskathedraal
  17. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  18. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
  19. Nederlandse Historiën, editie Elsevier 1947, ISBN 90-10-02093-2, p. 358)
  20. De voorletters van alle coupletten van het Wilhelmus in de oude spelling vormen samen Willem van Nassov en dat is de geboortenaam van Willem van Oranje
  21. De Tachtigjarige Oorlog (Universiteit Leiden)
Wikiquote Op Wikiquote staan citaten van Willem van Oranje.
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Willem van Oranje op Wikisource
Wikimedia Commons Zie de categorie William the Silent van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden.

Beleg van ‘s-Hertogenbosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
 
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van ‘s-Hertogenbosch
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Kaart 'sHertogenbosch 1629.jpg
Datum 30 april14 september, 1629
Locatie ‘s-Hertogenbosch, Hertogdom Brabant
Resultaat Inname van de stad
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svgHuurtroepen van de Republiek Flag of New Spain.svgLeger van ‘s-Hertogenbosch
Commandanten
Frederik Hendrik van Oranje Anthonie Schets, baron van Grobbendonck
Troepensterkte
24000 infanterie
4000 cavalerie
116 kanonnen
3000 infanterie
4000 bewapende burgers
Verliezen
onbekend 1.200 doden 1.200 zieken en gewonden
 
Vista-kmixdocked.png
Geluid afspelen
(download/info/permalink)

Het Beleg van ‘s-Hertogenbosch in 1629 was een groots opgezette tegenaanval op de Spanjaarden door prins Frederik Hendrik, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van april tot half september. Uiteindelijk werd de stad ‘s-Hertogenbosch door Frederik Hendrik van Oranje ingenomen.
De Zilvervloot, die in 1628 door Piet Hein werd veroverd op de Spanjaarden, had de staatskas van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gespekt. Vermoedelijk is hiermee het Beleg van ‘s-Hertogenbosch gefinancierd. Maar Frederik Hendrik heeft ook zijn eigen geld aangesproken om dit beleg te financieren.

Inhoud

[verbergen]

Situering

Voorgeschiedenis

Na het overlijden van Filips III in maart 1621, kwam Filips IV aan de macht en met hem kwam er een nieuwe strategie voor de Nederlanden. Het Twaalfjarig Bestand liep af en het Spaanse hof wilde dat aangrijpen om voor de Staatse katholieken godsdienstvrijheid af te dwingen. Daarnaast moest de Republiek zich terugtrekken uit de Spaanse en Portugese koloniën en moest de Schelde opengesteld worden. Om dit te bereiken wilde het Spaanse hof een snelle offensieve oorlog voeren.[1] Dit met tegenzin van de aartshertogen Albert en Isabella die met een zekere zelfstandigheid de Zuidelijke Nederlanden bestuurden. Zij wilden juist dat het Bestand werd verlengd, om het land op te kunnen bouwen. Daarnaast waren zij er niet zeker van dat het benodigde geld voor de oorlog, zo’n 300.000 dukaten per maand, ook werkelijk trouw zou worden uitbetaald.[1] Na het overlijden van Albert, ging het bestuur weer over naar de Spaanse koning, waarmee de offensieve oorlog kon beginnen. Het beleg van Bergen op Zoom mislukte, maar het beleg van Gulik en van Breda waren succesvol. Deze manier van oorlog voeren was erg kostbaar en leverde te weinig op, de Republiek werd niet aan de onderhandelingstafel gedwongen, daarop werd besloten over te gaan op een defensieve strategie.[2] Zo werd het leger verkleind, werden de geldzendingen verlaagd en werden de grensgarnizoenen uitgebreid.[2] Daarnaast probeerde Spanje de Republiek op economisch vlak schade toe te brengen door onder andere het aantal kapers, die het voorzien hadden op Staatse schepen, in Vlaamse steden te laten toenemen.

Vesting ‘s-Hertogenbosch

Kaart van het Beleg van ‘s-Hertogenbosch in 1629 waarop duidelijk de bastions en buitenforten te zien zijn. (J.Blaeu)

In belegeringstechnisch opzicht was ‘s-Hertogenbosch een onwaarschijnlijk doel voor een campagne. De stad was tijdens het Twaalfjarig Bestand zwaar versterkt met verschillende bastions en buitenforten; de omliggende gronden waren drassig, zodat de gebruikelijke belegeringsmethodes uit die tijd, zoals het aanleggen van approches en ondermijning, niet uitvoerbaar leken. De vesting gold als onneembaar en kreeg daarom de bijnaam Moerasdraak.[3][4] Daarbij moet vermeld worden dat alleen aan de Staatse kant, in propagandistische pamfletten en historiewerken vermeldingen als “onneembaar” werden gebruikt.[5] De stad was van cruciaal belang voor de verdediging van de Zuidelijke Nederlanden. Viel ‘s-Hertogenbosch, dan verschoof de verdedigingslijn van net onder de grote rivieren naar het gebied van de Kempen en kwamen belangrijke Spaanse steden als Antwerpen en Maastricht binnen het bereik van het Staatse leger.
Voor de Republiek vormde ‘s-Hertogenbosch een dreiging en men moest de stad steeds in de gaten houden. Een verovering van de stad kon deze dreiging wegnemen en een veilige buffer creëren.
Het garnizoen dat gelegerd was in de stad behoorde tot de grootste in de Zuidelijke Nederlanden. Het werd geleid door de ervaren Anthonie Schetz, baron van Grobbendonk.[6] ‘s-Hertogenbosch was de vierde stad van Brabant en had een zetel in de Staten van Brabant. Bij de stad behoorde de Meierij, een relatief arm plattelandsgebied, wat bij een verovering een grote gebiedsuitbreiding zou betekenen.

Motieven voor het beleg

Een belangrijk motief om de stad in te nemen was de strategische ligging van de stad dichtbij de Maas. Daarnaast controleerde de stad Brabant en de toegangswegen naar Holland, de Veluwe en Utrecht.[7] Ook de tijd was er rijp voor. In deze periode woedden er namelijk verschillende oorlogen elders in Europa. De Spanjaarden waren in Italië verwikkeld in een strijd tegen Frankrijk. De Spaanse generaal Ambrogio Spinola, opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden en een briljant strateeg, werd naar Italië gezonden, om daar te strijden tegen de Fransen. Zijn vervanger in de Nederlanden was Hendrik van den Bergh, een volle neef van Frederik Hendrik. De katholieke Duitsers, bondgenoten van de Spanjaarden, waren in strijd verwikkeld met Christiaan IV van Denemarken in de Dertigjarige Oorlog. Om de positie van de Republiek te ondermijnen hadden de Habsburgers haar sinds het einde van het Twaalfjarig Bestand zoveel mogelijk afgesloten van haar achterland. De vesting ‘s-Hertogenbosch werd daarbij als een essentieel onderdeel gezien; het meeste geld bestemd voor versterkingen was hier geïnvesteerd.
Een ander belangrijk motief was de bisschopszetel van ‘s-Hertogenbosch. Wanneer de stad veroverd zou worden, zou daarmee een groot gebied met ruim 40 kloosters, 140 dorpen en 200.000 inwoners, in handen van de Republiek vallen. Voor de Spaanse koning was dit een belangrijke reden om de stad te willen behouden.
Er waren nog meer strategische redenen: door inname van de stad zouden de legers tussen Maas en Waal meer rust krijgen en zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het zuiden een uitvalsbasis hebben. Stadhouder en opperbevelhebber prins Frederik Hendrik zou daardoor makkelijker een aanval op Breda en / of Maastricht[8] uit kunnen voeren.
De beste reden was juist het feit dat de stad de reputatie had, dat ze niet veroverd kon worden. Als het dan toch zou lukken was dat een enorme slag voor de politiek van de Habsburgers. In de 17e eeuw hing overwinning in een conflict voor een groot deel af van de reputatie van de strijdende partijen[bron?]; de Habsburgse reputatie zou de val van ‘s-Hertogenbosch niet ongeschonden kunnen doorstaan.

Aanloop naar het beleg

Werving van het Staatse leger

Frederik Hendrik en Ernst Casimir

Voor het beleg was een leger nodig van 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters, waarvan een groot deel nog eerst gerekruteerd moest worden. Vijftig nieuwe compagnieën werden teruggebracht op hun oude sterkte waarvoor 10.000 nieuwe soldaten aangetrokken moesten worden.[9] De bijkomende quotes van de provincies Holland, Utrecht en Gelderland werden gebruikt om nog eens 12.000 man aan te trekken.[9] Veertig bestaande compagnieën kregen elk 150 man extra, daarnaast werden vijftien nieuwe Duitse compagnieën en een Schotse compagnie aangenomen.[9] Deze Schotse manschappen werden onder begeleiding van twee oorlogsschepen door Nederlandse schepen opgehaald in Leith. Nieuwe officieren werden veel geworven uit de oude compagnieën en werden tijdelijk gepromoveerd voor de duur van het beleg.
Om de bevolking van de Republiek te ontzien werden de rekruteringsofficieren opgedragen door de Raad van State alleen in het buitenland te werven. Daarnaast mochten ook overlopers aangenomen worden, wat volgens sommige officieren gevaarlijk was. Fransen en Engelsen mochten niet aangenomen worden, omdat die landen ook manschappen rekruteerden en die landen bondgenoten waren van de Republiek. Door de druk om genoeg manschappen te werven en de beperkingen die opgelegd waren, werden ook nutteloos geachte mensen geworven zoals arme lieden en jongens.
Het werven verliep niet zoals gepland en het aantal van 12.000 manschappen werd nergens gehaald: alleen het Schotse regiment overtrof de verwachtingen.[10] Een belangrijke oorzaak hiervan was dat andere vorsten ook druk aan het werven waren. Denemarken was in de buurt van Delfzijl manschappen aan het werven en Zweden in gebieden aan de grens van de Republiek met het Heilige Roomse Rijk.

Vertrek naar ‘s-Hertogenbosch

Op 24 april vertrok Frederik Hendrik met 24.000 man voetvolk en 4.000 ruiters via Utrecht in de richting van Arnhem en Nijmegen om het leger te groeperen op de Mookerheide, waar eerder in 1574 de Slag op de Mookerheide had plaatsgevonden. De zomer van 1629 was relatief warm en droog. Dit maakte de verplaatsing van kanonnen en een grote troepenmacht eenvoudiger.[11]
Op 28 april kwam het Staatse leger daar bijeen voor een wapenschouw. Tegelijkertijd werd een schipbrug over de Maas bij Grave aangelegd. Deze brug was in een dag klaar, waarna Frederik Hendrik naar ‘s-Hertogenbosch oprukte. Voor de Brabantse steden ‘s-Hertogenbosch en Breda werd toen duidelijk, dat de strijd zich in Brabant en niet in Pruisen, zou afspelen[12].
Vanwege eerdere mislukte aanvallen op ‘s-Hertogenbosch in 1601 en in 1603 door prins Maurits maakten de Bosschenaren zich in eerste instantie niet druk[4]. Ze waren wel op hun hoede.
Toen op 1 mei ongeveer 150 schepen bij Fort Crèvecoeur lagen en de troepen van Frederik Hendrik de stad omsingelden, werd duidelijk, dat ‘s-Hertogenbosch het doelwit was.[12] Dezelfde dag nog werden bodes naar Brussel gestuurd met de vraag om troepenversterking. Vervolgens bleek, dat er geen geld was voor een ontzettingsleger. Ook had ‘s-Hertogenbosch verzuimd om extra manschappen aan te stellen en extra ammunitie in te slaan. ‘s-Hertogenbosch nam niet het zekere voor het onzekere en deed precies het tegenovergestelde. Door de mislukte aanvallen van Maurits van Oranje, was er de overtuiging, dat ‘s-Hertogenbosch ook voor Frederik-Hendrik een onneembare vesting was. ‘s-Hertogenbosch stuurde daardoor manschappen naar Breda.[12] Hierdoor had ‘s-Hertogenbosch zelf te weinig manschappen, toen bleek dat ‘s-Hertogenbosch het doelwit was.
De stad kon door de warme en droge weersomstandigheden makkelijker omsingeld worden.[11] Ook werden mensen die niet konden vechten voor ‘s-Hertogenbosch door Anthonie Schets op 1 mei de stad uitgestuurd. Dit waren kleine kinderen, waaronder vier van zijn eigen kinderen, bejaarden, vrouwen en zieke soldaten. Deze mensen werden door Frederik Hendrik opgevangen.[13]

Het beleg

Voorbereidend werk

Prins Frederik Hendrik. Door onder andere het Beleg van ‘s-Hertogenbosch kreeg hij zijn bijnaam “stedendwinger”.

Rondom ‘s-Hertogenbosch liet Frederik Hendrik nu twee linies bouwen: de circumvallatielinie en dichter bij de stad de Contravallatielinie. Beide linies waren dijken van ongeveer 1,80 meter hoog. De circumvallatielinie moest verdedigen tegen aanvallen van buitenaf en had langs de dijk een brede diepe gracht lopen. Vanuit de contravallatielinie werd de stad aangevallen. De circumvallatielinie werd versterkt door schansen, redoutes en kwartieren, en was ongeveer 45 kilometer lang (11 uur gaans), terwijl de contravallatielinie zo’n 25 kilometer lang was. De aanleg van deze linies werd in enkele weken voltooid, door inzet van 24.000 soldaten en 10.000 waardgelders. Twee jaar eerder, bij het Beleg van Grol, had Frederik Hendrik een circumvallatielinie voor het eerst uitgetest, met succes. Frederik Hendrik had het weer afgekeken van Ambrogio Spinola die deze tactiek had gebruikt bij het Beleg van Breda in 1624.[14]
In eerste instantie werden vijf kwartieren rond de stad aangelegd. Het Kwartier van Bredero bij Den Dungen werd later aangelegd, omdat de afstand tussen het Kwartier van Frederik Hendrik in Vught en Kwartier van Ernst Casimir in Hintham te groot was. Op deze manier werd de stad omsingeld, zodat er geen aanvallen op de linie gepleegd konden worden en er ook geen hulp gehaald kon worden. Toch waren er bodes naar Brussel gestuurd om hulp te vragen. Hendrik van den Bergh werd naar ‘s-Hertogenbosch gestuurd met een leger van 40.000 soldaten. Willem Pijnssen was met 22 compagnieën eerst naar de Schenkenschans getrokken, om zich later bij Frederik Hendrik in ‘s-Hertogenbosch te voegen. Juist waar Pijnssens leger gestationeerd zou worden, bij Deuteren, kwamen in de eerste week van mei nog 1000 Spaanse soldaten aan. Dit was een welkome versterking voor ‘s-Hertogenbosch.
Tegelijkertijd werd vlakbij Haanwijk de Dommel afgedamd, evenals de Aa bij Hintham. De Dieze werd in het noorden bij het Kwartier van Graaf van Solms ook afgedamd. De Dommel en de Aa werden afgedamd, opdat het water niet meer naar de stad kon stromen, maar in plaats daarvan in de grachten van de circumvallatielinie.[15] De Dieze werd in het noorden afgedamd, zodat het water uit de Maas niet meer naar de stad kon stromen. De vallatielinies hadden meteen een enorme polder gecreëerd, die men nu kon droogleggen. Het water werd met rosmolens uit de polders gepompt. In twee weken tijd was het water al 35 centimeter gedaald. Er werden ook loopgraven gegraven in de richting van de stad.
Rond 1570 had Filips van Hohenlohe een fort op de oostelijke oever van de Dieze gesloopt. Hij liet kort daarna op de westelijke, Staatse kant een nieuw fort bouwen: Fort Crèvecoeur. Frederik Hendrik kon dankzij dit fort de scheepvaart op de Dieze en de Maas controleren. Achteraf bleek dat, mede door dit fort, het beleg een succes werd. Het fort werd namelijk gebruikt voor de bevoorrading van de troepen. Via Heusden werd het leger ook bevoorraad. Met deze twee bevoorradingsroutes en het gegeven dat de stad omsingeld was, was het eigenlijk een kwestie van tijd totdat ‘s-Hertogenbosch ingenomen werd. Frederik Hendrik kon zijn leger voornamelijk via het water bevoorraden, terwijl ‘s-Hertogenbosch logischerwijs niet meer bevoorraad kon worden. Toch was simpele uithongering niet de methode waar Frederik Hendrik voor koos. Door de grote voedselvoorraden die vestingsteden opgeslagen hadden zou het langer dan een jaar kunnen duren voordat men tot overgave gedwongen zou worden, wat enorme kosten met zich mee zou brengen. Dat zou de belegering ook tot in de wintermaanden laten voortduren, wat de belegerende strijdmacht aan grote ontberingen zou blootstellen met vermoedelijk een hoog aantal verliezen door ziekte als gevolg.

Pogingen tot ontzet

Met zijn leger van 40.000 man trok Hendrik van den Bergh via Turnhout, Goirle en Hilvarenbeek naar de huidige Langstraat. Pas eind juni kwam hij in de directe omgeving van ‘s-Hertogenbosch. Hij was via Helvoirt naar Boxtel getrokken om vanuit daar enkele aanvallen uit te voeren. Deze mislukten echter steeds, en daarom koos hij voor een andere strategie en trok naar Holland, om daar te proberen steden te heroveren op de Staatse troepen. Eerst ging hij naar Wesel, om zich daar aan te sluiten bij de troepen die de keizer van het Heilige Roomse Rijk beschikbaar had gesteld voor de Spanjaarden. Het plan was om via Amersfoort naar Holland op te trekken. Op 13 augustus werd Amersfoort aangevallen, onder leiding van generaal Raimondo Montecuccoli. De stad capituleerde een dag later.
Als antwoord stuurde Frederik Hendrik de compagnieën van Ernst Casimir, voornamelijk ruiters, naar de Veluwe. Daardoor had Frederik Hendrik paarden te weinig om de molens draaiende te houden. Het grootste deel van het leger bleef zodat de numerieke meerderheid bleef. Hij vermeed een confrontatie met Montecuccoli, aangezien hij die zou verliezen. Otto van Gendt, gouverneur van Emmerik, wist op 19 augustus Wesel op de Spanjaarden te veroveren, waar zich een grote voorraad wapens en levensmiddelen bevond. Door de inname van Wesel verloren de Spaanse troepen hun steunpunt voor het oosten en zuiden van de Republiek. Montecuccoli trok daarop zijn troepen terug.

De verovering van de stad

Het beleg van ‘s-Hertogenbosch (Pieter de Neyn)

Het Kwartier van Willem Nassau bij Orthen loste op 20 mei als eerste een kanonschot op de stad. Het Kwartier van Ernst Casimir bij Hintham volgde op 29 mei. In totaal werden er 14 schoten op de stad afgevuurd, maar er vielen geen gewonden. Frederik Hendrik was op 3 juni klaar met zijn batterij. Eind mei en begin juni werd de stad uit verschillende richtingen tegelijkertijd aangevallen, zodat de aandacht van de belegerden werd verdeeld. Frederik Hendrik richtte de belangrijkste aanval vanuit het zuiden op Bastion Vught.
Ondertussen liet Frederik Hendrik ook loopgraven graven naar Fort Isabella en Fort Sint-Anthonie. De loopgraven waren Fort Sint-Anthonie zo dicht genaderd dat de Bossche soldaten de soldaten van Frederik Hendrik in het gezicht konden zien. Vanaf half juni tot half juli werd er hevig gevochten bij beide forten. Half juli waren beide forten ingenomen. Eerst viel Fort Isabella[4], Fort Sint-Anthonie viel op 19 juli[4].
‘s-Hertogenbosch begon te ervaren dat Bastion Vught een zwak punt was in de vestingwerken, hoewel de soldaten van Bastion Deuteren ondersteuning boden. Het Bastion werd oorspronkelijk bewaakt door Fort Isabella en Fort Sint-Anthonie, maar sinds die veroverd waren, was er geen verdediging meer. Daarbij kwam, dat Bastion Baselaar te ver weg lag om ondersteunend vuur te geven. Bastion Oranje werd pas na het Beleg gebouwd door de Staatsen.
Voor het leger van de stad restte niets meer dan afwachten – wachten op het ondersteunende leger van Hendrik van den Bergh. Daarnaast moesten ze zuinig zijn met munitie. Het moet dan ook een teleurstelling zijn geweest dat het Hendrik van den Bergh niet lukte om de stad te bereiken en hij naar de Veluwe trok.
In augustus waren vanuit alle kwartieren de loopgraven de stad zo dicht genaderd, dat het tot een confrontatie kwam. Uiteindelijk werd op 11 september een bres geslagen bij Bastion Vught. Dit wilde nog niet zeggen, dat de stad ingenomen was, want achter Bastion Vught lag immers nog de oude Vughter Poort bij de Kuipertjeswal.

Plakaat op Bastion Vught.

Tegelijkertijd bedreigde het Kwartier van Ernst Casimir het Hinthamerbolwerk en de Hinthamer Poort. Als het hem lukte om daar een bres te slaan, was de stad definitief verloren voor de Spaanse koning. Uiteindelijk verplaatste Ernst Casimir de aanval naar de Noorderwal.[16] Door de dreiging van twee kanten tegelijkertijd was Anthonie Schets, de gouverneur van de stad, op aandringen van Bisschop Ophovius gaan onderhandelen met Frederik Hendrik over de capitulatie. Op 14 september capituleerde de stad. Door deze capitulatie kwam een eind aan een indrukwekkende staat van dienst van ‘s-Hertogenbosch, de stad van Hertogdom Brabant. ‘s-Hertogenbosch was in Staatse handen.
Op de plek waar een bres is geslagen bij Bastion Vught, is op een verharde verhoging een bronzen plaquette geplaatst. De tekst hierop luidt :

Hier werd de veste overmand…
Hier brak met ’t Hertogdom de band,
Maar Brabant bleef sijn eyghen lant.

Gevolgen van de capitulatie

Prent (Jan Luycken)

Prins Frederik Hendrik bij de belegering van ‘s-Hertogenbosch

De gevolgen van de capitulatie van ‘s-Hertogenbosch waren groot voor de regio. Sommige inwoners van ‘s-Hertogenbosch hadden niet de indruk, dat deze verovering definitief zou zijn. Zij verwachtten dat de Spaanse troepen de stad weer zouden proberen te heroveren. Dit gebeurde echter niet, zodat de band met het Hertogdom Brabant verbroken bleef.
De stad ‘s-Hertogenbosch kwam samen met de Meierij van ‘s-Hertogenbosch onder het gezag van de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, verenigd in de Unie van Utrecht. Dit gebied werd een onderdeel van Staats-Brabant. De zuidelijke grens kwam te liggen, waar nu ook de grens ligt, maar Lommel hoorde daar ook nog bij. Lommel is met België na 1839 geruild met Luyksgestel.
Een onbekend aantal inwoners van de stad, in ieder geval honderden, verlieten op 17 september de stad en trokken naar het zuiden, in de hoop dat het daar veilig zou zijn. Anderen, ook (kinderen van) Bosschenaren die in 1579 wegens hun reformatorische godsdienst de stad hadden moeten verlaten, kwamen juist weer terug.
Een ander gevolg van de capitulatie was de vervanging van de katholieke en koningsgezinde stadsregering van ‘s-Hertogenbosch. Zeven katholieke raadslieden moesten verdwijnen, terwijl twee moesten aanblijven, om de nieuwelingen te instrueren. Pas in 1794 kreeg de stad zijn eigen bestuur terug. Dat was bij de komst van de Fransen. Johan Wolfert van Brederode was de eerste gouverneur onder Staats gezag.
In de Sint-Janskathedraal werd op woensdag 19 september een eerste hervormde dienst gehouden. Frederik Hendrik van Oranje en zijn gemalin Amalia van Solms waren hierbij aanwezig. Andere hoge gasten waren de Koning van de Bohemen en de Prins van Denemarken. De katholieke erediensten werden verboden. De Sint-Jan werd protestants, evenals de andere katholieke kerken. In de stad waren wel katholieke schuilkerken, die tegen betaling van steekpenningen wel werden gedoogd. Het Vrouwenconvent Sint Geertrui werd gesloten en het gebouw van het vrouwenklooster werd vanaf 1629 gebruikt als Militair Hospitaal.
De economie van de stad groeide na 1629. In het begin van de zestiende eeuw had ‘s-Hertogenbosch 25.000 inwoners, ten tijde van het Beleg van ‘s-Hertogenbosch waren er slechts ongeveer 11.000 over. Toen de Prins kort na de inname de stad inspecteerde verzekerden burgers hem dat er 1.200 doden waren, daarnaast evenveel zieken en gewonden[17]. Na de sluiting van de Schelde in 1648, werd ‘s-Hertogenbosch een knooppunt tussen Holland en de Zuidelijke Nederlanden. Het inwoneraantal groeide toen weer.
In de stad werden een aantal gebouwen gebouwd, zoals de Citadel. Frederik Hendrik had als aanvaller ervaren, dat de afstand tussen Bastion Baselaar en Bastion Vught te groot was. Hij liet daarom Bastion Oranje bouwen, om te voorkomen, dat de Spanjaarden de stad terug zouden veroveren. Ook veranderde het Bastion Grobbendonck van naam. Het zou na de capitulatie Bastion Oliemolen heten.
Bij de Vrede van Münster in 1648 werd bepaald dat Staats-Brabant niet het achtste lid van de Unie zou worden. Staats-Brabant werd een Generaliteitsland. Dit hield in, dat Staats-Brabant onder het gezag van de Republiek viel en geen stemrecht had in het landsbestuur. Dit gold ook voor Staats-Limburg en Staats-Vlaanderen. Indirect kan men zeggen, dat door het Beleg van ‘s-Hertogenbosch, het huidige Noord-Brabant een provincie van Nederland is. Immers, vanaf die tijd behoorde de Meierij van ‘s-Hertogenbosch bij Staats-Brabant. In 1830 zou België zich afscheiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De grens van België werd gevormd door de grens tussen Staats-Brabant en het gebied dat Spaans bleef.
Het tijdvak van 1629 tot 1648 staat bekend als de retorsieperiode.

Zie ook

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
Bronnen


Referenties

  1. a b Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 29
  2. a b Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 30
  3. Kring vrienden van ‘s-Hertogenbosch.
  4. a b c d Dagboek 1629. Ooggetuigen van het Beleg van ‘s-Hertogenbosch van Peter-Jan van der Heijden. ISBN 90-70706-96-2
  5. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 17
  6. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 50
  7. www.defensie.nl Beleg van ‘s-Hertogenbosch (01-05-1629)geraadpleegd op 27 september 2009
  8. Later zou blijken, dat hij in 1632 Roermond en Maastricht zou belegeren. Zie Beleg van Roermond en Beleg van Maastricht (1632)
  9. a b c Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 57
  10. Cauwer, P. de (2008): Tranen van bloedblz. 58
  11. a b J. Buisman, A.F.V. van Engelen (1998): Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 4: 1575-1675 Franeker: Van Wijnen ISBN 9051941439
  12. a b c ‘s-Hertogenbosch, stad in het hertogdom Brabant circa 1185-1629, Drs. P.Th.J. Kuijer. ISBN 90-400-9514-0
  13. Anna van Hambroeck, hoofdstuk 31, pagina 318 en volgende, Marianne Keser. ISBN 90-77721-13-4
  14. Stadsarchief Breda
  15. Willem Jacobszoon Hofdijk (1866): Geschiedenis des Nederlandschen volksblz. 459
  16. Bossche Encyclopedie, Pastoor Bartenbrug.
  17. Jean Le Clerc(1730): Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, sedert den aanvang van die Republyk tot op den vrede van Utrecht in ’t jaar 1713 en het tractaat van Barriere in ’t jaar 1715 gesloten… In ’t fransch beschreven door den Heere Jean Le Clerc en nu in ’t nederduitsch vertaald… blz: 502 – Uitgever: Amsterdam : Z. Chatelain, 1730
Wikimedia Commons Zie de categorie Beleg van ‘s-Hertogenbosch van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden.
Gevechten om ‘s-Hertogenbosch
1579: Schermersoproer · 1585: Aanslag door Hohenlohe · 1591: Maurits I · 1594: Maurits II · 1601: Maurits III · 1603: Maurits IV · 1622: Maurits V · 1629: Beleg door Frederik Hendrik · 1794: Beleg door Pichegru · 1814: Beleg door de Pruisen
Overzicht van de Tachtigjarige Oorlog
Eerste opstand: Valencijn · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Jemmingen · Lanakerveld · Geldenaken)
Tweede opstand: Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Haarlem · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Mookerheide
Algemene opstand: Steenbergen · Breda (1577) · Gembloers · Kampen (1578) · Rijmenam · Deventer (1578)
Parma’s negen jaren: Maastricht (1579) · ‘s-Hertogenbosch (1579) · Baasrode · Mechelen · Groningen · Zwolle · Hardenbergerheide · Halle · Steenwijk (1580-1581) · Noordhorn · Breda (1581) · Eerste Steenbergen (1582) · Punta Delgada · Tweede Steenbergen (1582) · Lochem · Eindhoven · Terborg · Antwerpen (1584-1585) · Zutphen (1584) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Zutphen (1586) · Warnsveld · Venlo (1586) · Bergen op Zoom (1588) · Grevelingen
Maurits’ tien jaren: Soltkamp · Rijnberk (1590) · Breda (1590) · Steenbergen · Maurits 1591 (Zutphen (1591) · Deventer (1591) · Delfzijl · Hulst (1591) · Nijmegen) · Steenwijk (1592) · Coevorden (1592) · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden (1593-1594) · Groningen · Grol (1595) · Hulst (1596) · Maurits 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk (1597) · Meurs · Grol (1597) · Bredevoort (1597) · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen (1597))
Elf jaren strijd: Nieuwpoort · Rijnberk (1601) · Oostende · Sluis · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal (1605) · Lingen (1605) · Bergen op Zoom (1605) · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort (1606) · Berkumerbrug · Grol (1606) · Rijnberk (1606) · Grol (1606) · Venlo (1606)) · Gibraltar
  Twaalfjarig Bestand
Eindstrijd: Steenbergen (1622) · Bergen op Zoom (1622) · Breda (1624-1625) · Grol (1627) · Baai van Matanzas · ‘s-Hertogenbosch (1629) · Veldtocht langs de Maas · Maastricht (1632) · Venlo (1632) · Breda (1637) · Venlo (1637) · Kallo · Duins · Hulst (1645) · Antwerpen (1646) · Venlo (1646) · Puerto de Cavite

o Adriaenssen, Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629 (Stiching Zuidelijk Historisch Contact Tilburg, 2007) 487 blz.; prijs € 29,50

COR VAN DER HEIJDEN

Christoffel van IJsselstein was voor de geschiedenis van Tilburg een belangrijke persoon. Veel verdienstelijks is over hem echter niet te melden: ‘een cholerische man met onmiskenbaar een drankprobleem’ is nog een milde karakterisering. Nadat in de zomer van 1583 op veel plaatsen in de meierij de oogsten waren verwoest, draaide deze commandant van het garnizoen van Heusden de Tilburgse dorpsbestuurders de duimschroeven aan. Een korte en verre van volledige bloemlezing van de handel en wandel van Van IJsselstein. Nadat het Tilburgse dorpsbestuur hem in de zomer van 1583 al met een aam wijn had proberen te behagen, toonde hij zich verontwaardigd omdat Tilburg gedeeltelijk in gebreke was gebleven met het leveren van paard en wagens om hand- en spandiensten voor het garnizoen uit te voeren. Hij dreigde Tilburg aan zijn soldaten ‘voor een rooef’ uit te leveren. Met nog eens een aam wijn en een ‘gratuïteit’ van 138 gulden liet hij zich kalmeren. Om de haverklap werden bij hem talloze koppels patrijzen, hazen en konijnen afgeleverd. Hij schrok er niet voor terug om Tilburgse borgemeesters in de boeien te slaan, die pas na het betalen van een losgeld weer vrij kwamen. Toen enkele in Loon op Zand gelegerde Spaanse soldaten tijdens gevechtshandelingen een paar paarden van het Heusdense garnizoen gedood hadden, eiste hij van Tilburg een schadevergoeding van 150 gulden. Als Van IJsselstein zelfs maar het vermoeden had dat een Tilburgse koopman goederen aan de vijand leverde, eiste hij genoegdoening. Ook zijn schrijver en zijn wachtmeester, luitenant en sergeant werden regelmatig en royaal bestoken. Zelfs voor zijn manschappen eiste hij de levering van een partij kaatsballen. In het boekjaar 1583/1584 beliepen de betalingen aan het Heusdense garnizoen meer dan 10.000 gulden ofwel bijna de helft van de dorpsuitgaven.

Deze voorbeelden van corruptie en ambtelijke diefstal zijn uitvoerig en beeldend beschreven in het eind oktober verdedigde proefschrift van Leo Adriaenssen. In Staatsvormend geweld beschrijft de Amsterdamse onderzoeker het verhaal van de Opstand vanuit een nieuw perspectief, met een bijzondere aandacht voor de positie van en de gevolgen voor Tilburg. Dit keer staan niet de politieke gebeurtenissen, het diplomatieke gekonkel en de militaire veldslagen centraal, maar wordt beschreven wat de gevolgen waren voor de plattelandsbevolking die de pech had te wonen in het gebied waar de frontlinies lagen. Grote delen van het huidige Noord-Brabant hadden tussen 1572 en 1629 bijna voortdurend te maken met de ongemakken van de strijd tussen de opstandelingen (‘de Staatsen’) en de troepen van het (toen nog) wettige gezag (‘de Spaansen’). Veel veldslagen werden er in deze periode niet geleverd en het aantal directe slachtoffers van feitelijke oorlogshandelingen bleef gering. Maar op indirecte wijze ondervonden de inwoners van de meierij van Den Bosch bijna dagelijks dat het oorlog was.

De Opstand ontwrichtte het leven op het platteland. Gedurende een lange reeks van jaren werd de plattelandsbevolking gedwongen tot verregaande vormen van dienst-, zorg- en schatplicht aan de oorlog. De boeren moesten waken en bij klokslag gewapend op appèl komen en hand- en spandiensten verlenen. Zij moesten de soldaten ‘voeden, laven, huisvesten, bevoorraden en niet zelden ook verplegen, gidsen, vermaken, vervoeren, kleden, van rijdieren voorzien, hun soldij betalen en handgeld verstrekken’. Alsof dat nog niet genoeg was moesten zij ook nog de oorlogsbelastingen betalen: gewone en buitengewone, legitieme en illegitieme, aan vriend én aan vijand. Tegenover al deze plichten, zo betoogt Adriaenssen, stond niets, ‘zelfs niet het recht op militaire bescherming’.

Omdat de meierij van Den Bosch in de bestudeerde periode eigenlijk een soort van ‘niemandsland’ was, gebruikten zowel de Staatsen als de Spaansen dit gebied als een melkkoe die tot de laatste druppel werd uitgeknepen. Adriaenssen heeft zijn betoog op ongekend gedetailleerde wijze onderbouwd. Hiertoe heeft hij een enorme hoeveelheid archiefstukken bestudeerd en zijn bevindingen in maar liefst 3169 voetnoten verantwoord. Om zijn conclusie dat tijdens de Opstand de plattelandbevolking van de landgewesten het kind van de rekening was, kan voortaan niemand meer heen.

Er is nauwelijks een pagina in het boek te vinden waarop de soldaten zich niet aan moord, verwoestingen, plunderingen, afpersing of verkrachtingen te buiten gaan. In minutieus bijgehouden dorpsrekeningen boekstaafden de lokale autoriteiten precies wat de Opstand de dorpelingen kostte. Voorbijtrekkende legers lieten niet alleen een spoor van verwoestingen en lege schuren achter, maar schuwden het machtsmiddel van de brandschatting niet: als de dorpelingen geen afkoopsommen betaalden zouden hun bezittingen in brand gestoken worden. In andere gevallen werden bewoners gegijzeld en moest er een flink losgeld betaald worden. Vooral als de betaling van de soldij uitbleef, waren deze praktijken schering en inslag. De hoogste autoriteiten gedoogden deze georganiseerde plunder- en afpersingstochten; af en toe werd er zelfs schriftelijk toestemming voor verleend.

Behalve dat het Brabantse platteland te maken kreeg met de overlast van legers van beide partijen, hadden ze óók nog eens last van een derde ‘vijand’: Den Bosch. Adriaenssen benadrukt keer op keer dat Den Bosch en de omringende meierij slechte buren waren. De stad gedroeg zich als imperator en legde het platteland eenzijdig zijn wil op. De dorpen werden verplicht om financiële, materiële én operationele bijdragen te leveren aan de verdediging van Den Bosch. Terwijl de dorpen te maken kregen met de enorme afkoopsommen die door brandschattende legers werden afgedwongen, bleef het veilig ommuurde Den Bosch daarvan verschoond. In plaats daarvan wentelde de stad de last van de fortificatiewerken en het stedelijk garnizoen ook nog eens voor het grootste deel af op het platteland. Per hoofd van de bevolking betaalde een inwoner van Tilburg vele malen meer aan oorlogslasten dan de Bosschenaar (op sommige momenten zelfs het tienvoudige). De Bossche notabelen leken zich niet zo veel om het omringende platteland te bekommeren en stelden de eigen (stedelijke) belangen voorop.

Opmerkelijk genoeg is Tilburg zo ongeveer de enige plaats in de meierij die desondanks zonder al te veel kleerscheuren door de moeilijke jaren van de Opstand is heen gekomen. In Tilburg nam het inwonertal niet af en wist de textielnijverheid zich krachtig te ontwikkelen. Leo Adriaenssen heeft in dit tijdschrift (o.a. in jaargang 1999, 2001 en 2006) al eerder beschreven hoe Tilburg tijdens de Opstand ‘goed garen spon’. Dankzij Staatsvormend geweld weten we nu dat de Tilburgers toen door het oog van de naald zijn gekropen.

Over anaconda15

1.80 meter lang blauwe ogen Nederlands Techneut en gek op wetenschap Erg handig en visionair
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s