Ministeries van VWS die al jaren op de hoogte zijn dat instellingen in de GGZ en zorg en welzijn meer bezig zijn met hun eigenbelangen en het veilig stellen van de pseudo-werkgelegenheid wat betreft de GGZ dan dat zij de belangen en zorg voor de client/patient voorop stellen en dat heeft geleid tot de explosie in de AWBZ/PGB uitgaven dankzij de ontbrekende staatstoezicht en aansturing en waar de burgers/clienten nu de rekening voor moeten betalen

http://eenhemelopaarde.nl/szasz.html

http://www.ncrm.nl/Toespraak%20Thomas%20Szasz.htm

speech schaller

https://anaconda15.wordpress.com/2011/06/09/zwols-nieuws-prima-resultaat-waarderingsonderzoek-ribw-zwolle/

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Postbus 20350

2500 EJ DEN HAAG

Telefoon (070) 340 79 11
Fax (070) 340 78 34

Bezoekadres:

Parnassusplein 5

2511 VX DEN HAAG

Correspondentie uitsluitend

richten aan het postadres

met vermelding van de

datum en het kenmerk van

deze brief

Internetadres:

www.minvws.nl

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Ons kenmerk Inlichtingen bij Doorkiesnummer Den Haag

GVM 2544696

Onderwerp Bijlage(n) Uw brief

Plan van aanpak

verloedering en overlast 2005-2007

1 Inleiding

In het standpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt heeft het kabinet

toegezegd zich te bezinnen op de vraag of in de keten van maatschappelijke opvang meer

dwang toegepast zou moeten worden.1 Het voorliggende Plan van aanpak verloedering en

overlast is het resultaat daarvan.

De aanpak van verloedering en overlast is voor dit kabinet ook in het kader van normen en

waarden een belangrijk onderwerp. Binnen verschillende beleidsdomeinen

(criminaliteitspreventie, veiligheidsbeleid, gezondheidszorg) is er een groep mensen in beeld

die onevenredig veel aandacht vraagt van lokale instanties (wonen, welzijn en politie) en

overlast bij medeburgers veroorzaakt. Die overlast vindt zijn oorzaak in psychische

problemen, verslavingsproblemen en dakloosheid. Desondanks mijden ze vaak de zorg. Maar

het past onze samenleving niet om deze mensen aan hun lot over te laten. Het kabinet wil

ook deze mensen in staat stellen zo volwaardig en zelfstandig mogelijk deel te nemen aan

de samenleving. Daarvoor doet het een beroep op de verantwoordelijkheid van deze burgers

én op de verantwoordelijkheid van instellingen om deze groep burgers niet aan hun lot over

te laten.

Het kabinet onderscheidt in zijn beleid drie groepen overlastgevenden:

1. De veelplegers, die niet alleen overlast veroorzaken, maar ook veel misdrijven plegen.

Vaak is er een relatie met alcohol en/of drugsverslaving. De Wet plaatsing in een

inrichting voor stelselmatige daders, die op 1 oktober 2004 in werking is getreden, biedt

mogelijkheden hiertegen effectief op te treden.

2. Overlastgevende zorgmijders die overlast veroorzaken waarbij een (oorzakelijke) relatie is

met ernstige psychische en verslavingsproblemen en dakloosheid.

3. Overlastgevenden van wie het gedrag als asociaal bestempeld wordt. Over de aanpak

van deze groep heeft de minister van Justitie u onlangs een brief gestuurd.2

1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29325, nr.1

2 Kamerstukken II, 2004-2005, 28684, nr.39

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

2

Kenmerk

GVM 2544696

Het voorliggende plan van aanpak heeft betrekking op de overlastgevende zorgmijders. Dat

laat onverlet dat de aanpak van de overlast van de andere twee groepen positieve effecten

heeft op deze groep.

Bij de voorbereiding van dit plan van aanpak heeft overleg met gemeenten, zorginstellingen

en justitiële instellingen plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat dit plan ook tegemoet komt

aan wensen van deze partijen voor een effectievere aanpak van dit vraagstuk. Zij ervaren

vooral de voorstellen over het overhevelen van de OGGZ-middelen naar gemeenten en de

voorstellen waardoor de Wet Bopz beter gebruikt kan worden als een doorbraak. Het plan

speelt in op de vele initiatieven die voor deze groep al ondernomen worden. Daarom bevat

deze brief ook ‘good practices’ waarvan ik hoop dat daarvan een voorbeeldwerking uitgaat.

De in dit plan aangekondigde acties zullen in het stramien van het programma ‘Naar een

veiliger samenleving’uitgewerkt worden en dientengevolge bijdragen aan de doelstelling van

dat programma3. Over de voortgang van dit plan rapporteert het kabinet via de tussentijdse

rapportages. De eerstvolgende verschijnt in mei 2005.

2 Probleemanalyse

2.1 Kwantitatieve en kwaltitatieve analyse van de doelgroep: overlastgevende zorgmijders

Link:http://archief.ypsilon.org/schizofrenieplein/hulp/nieuws/yn54/zwervers.htm

Nederland

15.200 dak- en thuislozen in 2001 (schatting in Zwerven in de 21e eeuw, 2003); andere

schattingen zijn beduidend hoger

4839 rechterlijke machtigingen en 6861 inbewaringstellingen GGZ in 2002, gemeld bij IGZ

8000 mensen met ernstige psychiatrische problemen die geen contact hebben met de

hulpverlening en waarbij sprake is van geregeld optredende acute nood, bijvoorbeeld door

verergering van ziekteverschijnselen, zoals wanen en hallucinaties, al dan niet in combinatie

met verslavingsproblemen (Advies Gezondheidsraad, Zorg voor niet-opgenomen acute

psychiatrische patiënten, 2004)

Amsterdam

4000 dak- en thuislozen (schatting van gemeente gebaseerd op gemiddeld 2000 dak- en

thuislozen per dag)

4200 harddrugsverslaafden, waarvan 1500 problematisch

Den Haag

788-1275 daklozen (Trimbos-rapport 2001)

Rotterdam

4600 dak- en thuislozen

3000 problematisch verslaafden

700 personen die extreme overlast bezorgen, crimineel gedrag vertonen, mogelijk verslaafd

zijn en/of psychiatrische problemen hebben en vaak dak- en thuisloos zijn (schatting)

Utrecht

500 overlastgevende zorgmijders

800-1000 daklozen (schatting in Zorg op straat 1)

1500 verkommerden en verloederden

3 In de periode 2008-2010 moet het Veiligheidsprogramma leiden tot een reductie van criminaliteit en

overlast in de publieke ruimte met 20 tot 25%. Die reductie moet in 2006 in de probleemwijken in de

grote steden reeds in 2006 (meting 2007) waarneembaar zijn.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

3

Kenmerk

GVM 2544696

De groep zorgmijders is moeilijk in kaart te brengen. Als individu zijn ze bekend bij politie en

hulpverlening. Maar specifieke cijfers over deze doelgroep ontbreken. De betrouwbaarheid

en vergelijkbaarheid van de cijfers laat nog veel te wensen over. Bovenstaand kader bevat

enkele landelijke cijfers die vooral gebaseerd zijn op schattingen, aangevuld met cijfers van

de G4.

De doelgroep bestaat uit een vooral op straat zichtbare groep mensen die niet de hulp (wil)

krijgen die zij nodig heeft. Daardoor dreigt voor hen maatschappelijke teloorgang. De

belangrijkste oorzaken daarvoor zijn verslaving aan drugs of alcohol, psychische en

persoonlijkheidsstoornissen.

De verloedering gaat in een aantal gevallen samen met overlastgevend gedrag. De strafbare

feiten die hiermee gepaard gaan, leveren hooguit korte vrijheidsstraffen op. Ze zijn in veel

gevallen te licht voor toepassing van de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor

Stelselmatige Daders (voor veelplegers). Het strafrecht is niet het geschikte middel om

overlast te bestrijden.

2.2 Huidig instrumentarium: er kan meer, maar er zijn leemten

De oorzaken waarom weinig overlastgevende zorgmijders de zorg en ondersteuning krijgen

die zij nodig hebben, zijn hun eigen gedrag, de ontoegankelijkheid van het zorgaanbod,

ontoereikend (gebruik van) het bestuurlijk-juridisch instrumentarium op lokaal niveau en het

onvoldoende toepassen van de wet Bopz.

Zorgmijders onttrekken zich aan de hulpverlening, omdat zij bijvoorbeeld weten dat zij vaak

met hun drugsgebruik moeten stoppen als ze in een instelling willen blijven. Maar het kan

ook het gevolg zijn van slechte ervaringen, bijvoorbeeld omdat ze ooit onder dwang zijn

opgenomen. Ze hebben een wantrouwen gekregen jegens mensen die hen willen helpen.

Schakelstation Zuid-Kennemerland

Het doel van de ketensamenwerking is de kwaliteit van leven van sociaal kwetsbare mensen

met zorgmijdend gedrag én hun omgeving te verbeteren. Inzet op het verminderen van de

overlast voor de samenleving en de cliënt zelf is daarmee ook een samenwerkingsdoel.

De ondertekening op 23 september jl. van een ketensamenwerkingsovereenkomst gericht op

kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag vormde de start van het Schakelstation: een

centraal meld- en coördinatie(regie)punt bij de GGD waar kwetsbare mensen worden

aangemeld, geregistreerd, aan een mentor gekoppeld en blijvend worden gevolgd. De

mentoren zijn afkomstig van elf ketenpartners.

Deze missie realiseren de ketenpartners door meer dan voorheen op assertieve wijze te

blijven zoeken naar een passend aanbod: durven doen. Door daadwerkelijk vorm te geven

aan het integrale karakter van het aanbod: samen werken en door alleen afspraken te maken

die nagekomen kunnen worden en deze uitvoeren: doen wat je zegt.

Bron: Kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag in Zuid-Kennemerland

Wanneer zorgmijders toch hulp zoeken zijn er voor hen hoge drempels. Want de regels en

methoden die instanties (moeten) hanteren sluiten nauwelijks aan bij de dagelijkse realiteit

van zorgmijders. Ze hebben geen adres, telefoon, agenda, geld en officiële documenten.

Ook hanteren instellingen op therapeutische gronden contra-indicaties op grond waarvan

een opname geweigerd kan worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om verslaving.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

4

Kenmerk

GVM 2544696

Gelukkig ontwikkelen steeds meer zorginstellingen vormen van bemoeizorg. Het gaat vaak

om een combinatie van psychiatrische zorg, praktische hulp en het bieden van onderdak,

veiligheid en voedsel. Doel is contact leggen en houden, patiënten praktisch begeleiden en

zo mogelijk behandelen. Maar de financiering vindt vaak plaats op projectbasis. Dat betekent

dat instellingen het aanbod wel opstarten, maar dit stopzetten als de geldstroom wegvalt.

Ook ondervinden instellingen problemen om voor bemoeizorg kenmerkende activiteiten als

cliëntfinding, veelvuldige contacten met het netwerk en ‘no show-contacten’ gedeclareerd

te krijgen.

De samenwerking tussen instellingen is te vrijblijvend. Dit wordt onder meer veroorzaakt

door versnippering van de hulpverlening en financieringsstromen, (vermeende)

belemmeringen in privacy-wetgeving, verschillen in definities en informatieregimes,

capaciteitsproblemen (sancties/zorg), niet-sluitende overdracht en gebrek aan

ketenmanagement en –regie.4 Wel is de vraag gewettigd of instellingen zich niet achter deze

argumenten verschuilen. Bovenstaand voorbeeld laat zien dat er veel kan. Er zijn meer van

deze voorbeelden, maar de basis van die samenwerking is wel vrijwillig. Vooral gemeenten

willen daarom meer zeggenschap over het aanbod van de GGZ en de verslavingszorg. Zij

denken dan beter in staat te zijn regie te voeren over de ketenpartners rondom deze

doelgroep. De indruk bestaat wel dat gemeenten meer dan nu hun eigen aanbod op het

terrein van huisvesting, dagbesteding, schuldhulpverlening en arbeidsreïntegratie kunnen

benutten voor een meer assertieve aanpak van deze groep. Onderstaand voorbeeld van de

gezamenlijke aanpak in Amsterdam Zuidoost illustreert dat.

Geïntegreerde Voorziening Drugshulpverlening Amsterdam Zuidoost

Het totaal aantal drugsverslaafden in Zuidoost wordt, op kwartaalbasis, geschat op 900

personen. Het gaat voor ca. 80% om mannen van Surinaams/ Nederlands Antilliaanse

origine, ouder dan 40 jaar. De verslavingsduur is meer dan twintig jaar. Het aantal

drugsverslaafden dat geen gebruik maakt van hulpverlening en uitkeringsrechten is

aanzienlijk. Om hierin verandering aan te brengen heeft Amsterdam een geïntegreerde

voorziening tot stand gebracht waarin de ketenpartners uit de domeinen zorg, werk,

inkomen, politie en justitie samenwerken. Zij leveren de cliënten aan voor deze voorziening.

Ook de Sociale Dienst maakt deel uit van deze voorziening. De Sociale dienst beheert voor

ca. 300 cliënten de uitkering en/of verstrekt bijstand in natura in de vorm van het regelen

van slaapplaatsen. Door de geïntegreerde aanpak door verschillende organisties worden

drugsverslaafde cliënten beter bereikt. Op deze wijze is het naar verwachting mogelijk

cliënten daadwerkelijk gebruik te laten maken van aangewezen hulp c.q. onderdak. De

bedoeling is dat het aantal cliënten van de Sociale Dienst dat gebruikt maakt van de

Geïntegreerde Voorziening stijgt tot 500 cliënten op jaarbasis.

Bron GGGD Amsterdam

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde biedt

gemeenten ook mogelijkheden om meer assertief op te treden naar overlastgevende

zorgmijders. Zij kunnen regels stellen en op overtreding daarvan straf stellen. Een voorbeeld

is de strafbaarstelling van bedelarij. Rotterdam is voor zover bekend de enige gemeente die

van deze mogelijkheid gebruik maakt. De model-APV van de VNG bevat geen modelbepaling

over deze onderwerpen. Bij gemeenten lijkt hier geen behoefte aan te bestaan. Wanneer het

niet gelukt is dat al of niet onder drang zorgmijders vrijwillig hulp accepteren, resteert de

4 Opsomming ontleend aan rapport Boer&Croon over Veelplegers.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

5

Kenmerk

GVM 2544696

optie van dwangopname en –behandeling. De mogelijkheden daarvoor zijn beperkt, maar

worden niet volledig benut. Dat laatste heeft vooral te maken met verschillende

interpretaties van begrippen uit de Wet Bopz. Deze wet ziet toe op gedwongen opnemingen

van onder andere psychiatrische patiënten in psychiatrische instellingen als er sprake is van

een gevaarssituatie voor de persoon zelf of voor diens omgeving die wordt veroorzaakt door

een geestesstoornis. De praktijk leert dat vooral bij de hulpverlening onduidelijkheid bestaat

of ernstige verslaving een geestesstoornis is in de zin van de Wet Bopz. Ook de toepassing

van het gevaarscriterium laat verscheidenheid zien. Er zijn voorbeelden waarin rechters het

gevaarscriterium heel nauw hanteren. Ook psychiaters doen dat en zien dan af van een gang

naar de rechter. Anderzijds komen rechters en psychiaters in hun uitleg van het

gevaarscriterium dicht bij het bestwil-criterium. Sommige psychiaters zijn aarzelend over een

dwangopneming als zij twijfelen aan de mogelijkheid van behandeling. Andere psychiaters

vinden dat de drempel voor dwangbehandeling te hoog is: “als er makkelijker onder dwang

kan worden behandeld, kun je mensen snel van straat halen en hoef je ze ook niet zo lang

hun vrijheid te benemen”. Deze psychiaters vinden dat zij nu met de handen op de rug

moeten toekijken omdat ze niet onder dwang mogen behandelen.

3 Uitgangspunten

Een verbetering van de zorg aan mensen aan de rand van de samenleving komt de kwaliteit

van hun leven ten goede. Daardoor zal bovendien de overlast die deze mensen veroorzaken

verminderen. Het perspectief om beleid te ontwikkelen voor deze groep kan niet òf overlast

òf zorg zijn. Het gaat om een tweevoudig perspectief: door het bieden van adequate zorg en

een verbetering van de kwaliteit van leven vermindert de overlast.

Overlastgevende zorgmijders moeten de hulp krijgen die zij nodig hebben om een verdere

teloorgang en de overlast die daarmee gepaard gaat te voorkomen. Dat begint bij de directe

omgeving die de teloorgang moet signaleren bij gemeentelijke of zorginstellingen. Bij

gemeenten ligt ook de beleidsverantwoordelijkheid om te voorkomen dat mensen tot deze

doelgroep gaan behoren.

Vervolgens vraagt dat een persoonsgerichte aanpak omdat het algemene beleid onvoldoende

effectief is voor deze doelgroep. Zonodig wordt deze hulp afgedwongen, hetzij bij de cliënt,

hetzij bij de betrokken instellingen. Gemeenten regisseren een optimale keten van zorg- en

dienstverlening voor deze groep.

Om deze situatie te bereiken moeten drie dingen verbeteren.

In de eerste plaats moet deze groep meer dan nu op de huid gezeten worden om hulp te

accepteren. Intensieve drang moet worden uitgeoefend om iemand hulp te laten accepteren.

Ten tweede moet als dat niet lukt, het in specifieke situaties gemakkelijker worden om

mensen onder dwang te helpen. Het recht op zorg (de noodzaak van zorg) en het belang van

de samenleving kunnen zwaarder wegen dan het recht op zelfbeschikking van mensen als zij

door hun verslaving of stoornis maatschappelijk teloor dreigen te gaan. Dat rechtvaardigt

(onorthodoxe) maatregelen met meer accent op drang en – als het niet anders kan – op

dwang. Dwang blijft een ultimum remedium. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot

dwangopname. Als dat nodig is, moet er onder dwang behandeld kunnen worden, mits

duidelijk is waarvoor en onder waarborgen.

In de derde plaats is het nodig dat de samenwerking tussen instellingen minder vrijblijvend

wordt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

6

Kenmerk

GVM 2544696

Op basis van een cliëntvolgsysteem zijn instellingen altijd op de hoogte van het

hulpverleningstraject. Als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld in een crisissituatie moet

de medewerking van een instelling door een gemeente afgedwongen kunnen worden.

Het voorliggende plan is erop gericht om de hiervoor geschetste verbeteringen te realiseren.

Dat wil zeggen dat overlastgevende zorgmijders eerder en beter dan nu geholpen worden.

Met dit programma wil het kabinet bereiken dat in 2007 daarvoor de voorwaarden aanwezig

zijn.

Zoals gezegd, overlast, criminaliteit door verslaafden en dealers zullen als gevolg van

opvang en verbetering van leefomstandigheden afnemen. Ze zullen niet volledig verdwijnen.

Het gaat het om het beheersbaar maken van dit vraagstuk.

4 Doelstellingen en maatregelen

Het kabinet heeft voor 2007 de volgende doelstellingen geformuleerd:

􀂃 De mogelijkheden voor drang op cliënten om hulp te accepteren zijn vergroot

􀂃 De ketensamenwerking tussen instellingen is minder vrijblijvend gemaakt

􀂃 Het gebruik van de Wet Bopz voor deze doelgroep is verbeterd

Op dit moment vindt al het nodige plaats om deze drie doelstellingen te realiseren. In

aanvulling daarop zijn maatregelen nodig om te zorgen dat die doelen daadwerkelijk

gerealiseerd worden. Het gaat dan vooral om maatregelen die tegemoet komen aan wat

iemand nodig heeft om weer enigszins gewoon in onze samenleving mee te doen.

4.1 Verruimen van drang op cliënten om ondersteuning en hulp te accepteren

Het kabinet wil dat er meer zorgmijders hulp gaan aanvaarden dan nu het geval is. Daarvoor

is nodig dat de zorg assertiever wordt aangeboden en dat het aanbod beter aansluit op de

behoefte van de doelgroep.

Ontwikkelen van een verbeterd assertief zorgaanbod

Bemoeizorg: GGZ voor veiligheid

De GGZ wil mensen met ernstige psychische stoornissen die de zorg mijden, in zorg krijgen

en houden. Bij deze ambitie hebben vele partijen belang, vooral op lokaal niveau. Denk

bijvoorbeeld aan gemeenten en politie. Daarom moeten GGZ-instellingen concrete en

wederzijds verplichtende afspraken maken met lokale partijen. De GGZ draagt op deze

manier bij aan een veiliger samenleving voor iedereen: patiënt en burger. Daarnaast zorgt de

GGZ voor voldoende beveiligde bedden voor specifieke doelgroepen. Zo komen er beveiligde

bedden voor patiënten met een psychische stoornis en gedragsproblemen, voor patiënten

die een delict gepleegd hebben en voor ernstig verslaafde patiënten die heroïne krijgen.

Uit Visiedocument GGZ Nederland , november 2004

Er is een meer assertieve benadering nodig om meer zorgmijders hulp te laten aanvaarden.

Het kabinet juicht daarom toe dat in de steden steeds meer bemoeizorg plaatsvindt. De

ambitie van de GGZ-sector om in 2009 alle zorgmijders in beeld hebben en de helft daarvan

in behandeling zal ongetwijfeld daarop een positief effect hebben. Het kabinet onderschrijft

deze ambitie, maar wil ook met de sector afspraken maken wat hiervan al in 2007

gerealiseerd is.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

7

Kenmerk

GVM 2544696

Een goed voorbeeld overigens van het assertief aanbieden van zorg is de toepassing van

Assertive Community Treatment (ACT). Verschillende ggz-instellingen in Nederland passen

deze methodiek met succes toe.

Een andere mogelijkheid om drang uit te oefenen biedt de dit jaar in werking getreden Wet

werk en bijstand (Wwb). Deze wet biedt gemeenten instrumenten om de bijstandsverlening

in te zetten om bijvoorbeeld zorgmijders te verleiden om hulp te accepteren. Ik verwijs

hierbij naar het eerder beschreven experiment in Amsterdam-Zuidoost.

Een specifieke groep waarop steden drang willen uitoefenen zijn verslaafden die uit de eigen

stad afkomstig zijn. Om hun overlast te verminderen ontwikkelt een aantal steden (Utrecht,

Heerlen, Rotterdam) een beleid om ze terug te leiden naar hun oorspronkelijke zorg- en

sociale netwerk. Dit beleid is mede ingegeven door de aanpak in Zwitserland van de overlast

van harddrugsverslaafden. Strikt genomen is dit beleid op dit moment in strijd met de

landelijke toegankelijkheid van voorzieningen voor maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid. Het kabinet is bereid om de eis van landelijke toegankelijkheid te beperken

tot de crisisopvang (inclusief de vrouwenopvang). Deze beperking draagt bij aan het

verminderen van de druk op de grote steden. Genoemde voorzieningen vallen vanaf 2006

onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In het wetsvoorstel dat het kabinet

volgend voorjaar naar de Kamer zal sturen zal deze beperking worden opgenomen.

Ontwikkelen van een aanbod dat beter aansluit op behoefte doelgroep

Niet alleen de benadering van de zorgmijders behoeft verbetering, ook het aanbod zelf moet

meer aansluiten op de behoeften van deze groep. Want onder deze groep van zorgmijders

bevinden zich vooral in de vier grote steden mensen die niet meer vatbaar lijken voor

behandeling. Het gaat dan vooral om chronisch verslaafden voor wie, ook al zijn ze

opgenomen – al dan niet onder dwang – , weinig mogelijkheden voor behandeling zijn. Zij

zullen niet afkicken. Deze groep heeft behoefte aan voorzieningen, mogelijk zelfs buiten de

stad, waar zij zonder verplichting tot behandeling kunnen verblijven. Het moet daar ook

mogelijk zijn om onder voorwaarden te gebruiken. Zij krijgen daar onderdak en een zinvolle

dagbesteding. Het kabinet wil met steden nader bezien onder welke voorwaarden een

dergelijke voorziening tot stand kan komen. Het uitgangspunt is een vrijwillig verblijf.

Mogelijk kan hier een verbinding gelegd worden met de brede pilot die de minister van

Justitie van plan is met het ‘Doe normaal contract’. Een dergelijk contract kan eraan

bijdragen dat het verblijf in een dergelijke voorziening niet vrijblijvend is.

Een andere mogelijkheid om het aanbod beter te laten aansluiten bij de behoefte van de

doelgroep biedt de verruiming van de heroïnebehandeling. De Tweede Kamer heeft

ingestemd met de uitbreiding van de heroïnebehandeling van 300 naar maximaal 1000

plaatsen, verdeeld over 15 behandeleenheden verspreid over Nederland. Nu zijn er zes

eenheden. De behandeling blijft bestemd voor ernstig zieke, chronisch heroïneverslaafden

die geen baat hadden bij methadonbehandeling alleen. BZK heeft € 1 mln. per jaar (voor een

periode van 3 jaar) beschikbaar gesteld voor de nieuwe behandeleenheden.

4.2 De ketensamenwerking tussen instellingen wordt minder vrijblijvend

De problemen van overlastgevende zorgmijders liggen op verschillende terreinen. Voor een

effectieve aanpak is een goede samenwerking tussen ketenpartners vereist. Dat vraagt om

sterke regiefunctie van de gemeente. Ook kan de samenwerking verbeterd worden als de

gegevensuitwisseling goed verloopt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

8

Kenmerk

GVM 2544696

Vergroten van gemeentelijke zeggenschap over aanbod ggz-instellingen

De gemeentelijke regierol kan versterkt worden als gemeenten meer zeggenschap krijgen

over de GGZ. In de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) is vastgelegd dat de

gemeenteraad zorg moet dragen voor het bevorderen van openbare geestelijke

gezondheidszorg (OGGZ). Daaronder wordt o.a. verstaan het bereiken en begeleiden van

kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis

of dreiging van crisis bij kwetsbare groepen en risicogroepen en het tot stand brengen van

afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de OGGZ. In veel

gemeenten bestaan op vrijwillige basis OGGZ-convenanten, zoals het hiervoor beschreven

Schakelstation. Maar gemeenten missen de zeggenschap om aanbod van GGZ-instellingen in

te kopen. Het kabinet wil de gemeenten die invloed geven. Daarom heeft het kabinet

besloten de middelen voor de OGGZ over te hevelen van de AWBZ naar gemeenten.

Overheveling sluit ook aan bij het voornemen de OGGZ-subsidieregeling onder te brengen in

de WMO.5

Bij de uitwerking hecht het kabinet er zeer aan dat de over te hevelen middelen ingezet

worden voor deze doelgroep zodat de overheveling bijdraagt aan het doel dat meer

zorgmijders hulp accepteren. Het kabinet wil dat gemeenten hun verantwoordelijkheid

nemen en prestatieafspraken maken met de aanbieders van zorg, bijvoorbeeld over het

aantal overlastgevende zorgmijders dat hulp aanvaardt en van wie de overlast vermindert.

In dit verband wil ik in twee gemeenten in het kader van de WMO proeftuinen starten die

gericht zijn op een betere ketenzorg voor overlastgevende zorgmijders, waarbij de

geselecteerde gemeenten zich toeleggen op een gekwantificeerde ambitie.

Het kabinet wil voor 1 april 2005 de Kamer informeren over de precieze uitwerking van deze

overheveling. Gemeenten zullen betrokken worden bij de uitwerking.

De voorgestelde overheveling versterkt de regiefunctie van gemeenten. Daarnaast wordt

bezien of het ‘Doe normaal-contract’ voor deze doelgroep mogelijkheden biedt. Bij de

voorbereiding van dit plan is ook gekeken naar andere opties om het bestuurlijk

instrumentarium te vergroten. Voor een model-APV overlast lijkt geen draagvlak te bestaan.

Hierover blijft het kabinet in overleg met gemeenten.

Nazorg na detentie

De hiervoor genoemde overheveling van GGZ-middelen naar gemeenten stelt gemeenten ook

beter in staat om de nazorg na detentie te regisseren. Voor de overige maatregelen die

getroffen zijn om de aansluiting van detentie en opvang en verdere nazorg te verbeteren

verwijs ik naar de onlangs uitgebrachte voortgangrapportage over de uitvoering van het

kabinetsstandpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt en de brief van

de minister van Justitie over nazorg voor ex-gedetineerden.6

Voorwaarden scheppen waardoor privacy geen excuus meer kan zijn

Gegevensuitwisseling is nodig voor een goede ketensamenwerking. VWS ondersteunt de

totstandkoming en de implementatie van een checklist ‘Omgaan met persoonsgegevens in

het kader van bemoeizorg’. De checklist beschrijft de doelgroep en het doel van de

gegevensuitwisseling.

5 Kamerstukken II, 2003-20045, 29538, nr.1

6 Kamerstukken II, 2004-2005, 27 834, nr. 36

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

9

Kenmerk

GVM 2544696

Deze checklist is het resultaat van een gezamenlijke actie van GGZ Nederland, GGD

Nederland en de KNMG. De checklist wordt over enkele maanden in een invitational

conference gepresenteerd. Daarna kan de checklist in het gehele land gebruikt worden.

VWS zal de een ruime verspreiding ervan mogelijk maken.

Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden een beroep doen op (producten van) de

Helpdesk privacy van Justitie. De afgelopen jaren heeft deze Helpdesk al een Handreiking

uitgebracht voor gemeenten over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie en een

Modelconvenant over de gegegevensuitwisseling tussen partijen betrokken bij het

criminaliteitspreventiebeleid in gemeenten.

VWS zal tenslotte de IGZ vragen advies uit brengen over de vraag of het privacyvraagstuk

op het onderhavige terrein hiermee van voldoende instrumenten is voorzien of dat nog

aanvullende maatregelen nodig zijn.

4.3 Het gebruik van de Wet Bopz verbeteren

In het kabinetsstandpunt Wet Bopz heeft het kabinet geconcludeerd dat de praktijk nog

onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden van deze wet voor deze doelgroep.7

Richtlijnen met betrekking tot centrale begrippen in de Wet Bopz moeten ertoe leiden dat in

de praktijk beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu al biedt.

Daarom heeft de minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor psychiatrie (NVvP)

opdracht gegeven om, in samenwerking met de departementen van Justitie en VWS, de

rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en gemeenten, aan te geven in welke gevallen

en situaties de Wet Bopz voorziet in de mogelijkheid tot dwangopname, van onder meer

ernstig verslaafden. Deze richtlijn is in het voorjaar van 2005 beschikbaar.

In hetzelfde standpunt heeft het kabinet ook aangekondigd de wet aan te passen om de

mogelijkheden tot dwangbehandeling binnen de instelling te verruimen. Het kabinet is

voornemens binnen enkele maanden de contouren van de daartoe noodzakelijke

wetswijziging te formuleren en deze ter consultatie voor te leggen aan de instellingen die

daarvoor als gebruikelijk in aanmerking komen.

In aanvulling op deze maatregelen wil het kabinet de meerwaarde onderzoeken van een

nazorg onder toezicht-register, zoals dat door Rotterdam en andere steden bepleit wordt.

Hiermee willen zij voorkomen dat iemand na het ontslag uit het psychiatrische ziekenhuis

aan zijn lot wordt overgelaten. Er zouden voorwaarden aan het ontslag gesteld worden.

Ontslag is alleen mogelijk als er nazorg geregeld is; de patiënt moet zich houden aan

afspraken, anders volgt een nieuwe dwangopname; nazorginstellingen moeten zich ook

houden aan de afspraken.

Mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en

Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

drs. Clémence Ross-van Dorp

7 Kamerstukken II, 2003-2004, 25673 en 28950, nr. 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Postbus 20350

2500 EJ DEN HAAG

Telefoon (070) 340 79 11
Fax (070) 340 78 34

Bezoekadres:

Parnassusplein 5

2511 VX DEN HAAG

Correspondentie uitsluitend

richten aan het postadres

met vermelding van de

datum en het kenmerk van

deze brief

Internetadres:

www.minvws.nl

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Ons kenmerk Inlichtingen bij Doorkiesnummer Den Haag

GVM 2544696

Onderwerp Bijlage(n) Uw brief

Plan van aanpak

verloedering en overlast 2005-2007

1 Inleiding

In het standpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt heeft het kabinet

toegezegd zich te bezinnen op de vraag of in de keten van maatschappelijke opvang meer

dwang toegepast zou moeten worden.1 Het voorliggende Plan van aanpak verloedering en

overlast is het resultaat daarvan.

De aanpak van verloedering en overlast is voor dit kabinet ook in het kader van normen en

waarden een belangrijk onderwerp. Binnen verschillende beleidsdomeinen

(criminaliteitspreventie, veiligheidsbeleid, gezondheidszorg) is er een groep mensen in beeld

die onevenredig veel aandacht vraagt van lokale instanties (wonen, welzijn en politie) en

overlast bij medeburgers veroorzaakt. Die overlast vindt zijn oorzaak in psychische

problemen, verslavingsproblemen en dakloosheid. Desondanks mijden ze vaak de zorg. Maar

het past onze samenleving niet om deze mensen aan hun lot over te laten. Het kabinet wil

ook deze mensen in staat stellen zo volwaardig en zelfstandig mogelijk deel te nemen aan

de samenleving. Daarvoor doet het een beroep op de verantwoordelijkheid van deze burgers

én op de verantwoordelijkheid van instellingen om deze groep burgers niet aan hun lot over

te laten.

Het kabinet onderscheidt in zijn beleid drie groepen overlastgevenden:

1. De veelplegers, die niet alleen overlast veroorzaken, maar ook veel misdrijven plegen.

Vaak is er een relatie met alcohol en/of drugsverslaving. De Wet plaatsing in een

inrichting voor stelselmatige daders, die op 1 oktober 2004 in werking is getreden, biedt

mogelijkheden hiertegen effectief op te treden.

2. Overlastgevende zorgmijders die overlast veroorzaken waarbij een (oorzakelijke) relatie is

met ernstige psychische en verslavingsproblemen en dakloosheid.

3. Overlastgevenden van wie het gedrag als asociaal bestempeld wordt. Over de aanpak

van deze groep heeft de minister van Justitie u onlangs een brief gestuurd.2

1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29325, nr.1

2 Kamerstukken II, 2004-2005, 28684, nr.39

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

2

Kenmerk

GVM 2544696

Het voorliggende plan van aanpak heeft betrekking op de overlastgevende zorgmijders. Dat

laat onverlet dat de aanpak van de overlast van de andere twee groepen positieve effecten

heeft op deze groep.

Bij de voorbereiding van dit plan van aanpak heeft overleg met gemeenten, zorginstellingen

en justitiële instellingen plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat dit plan ook tegemoet komt

aan wensen van deze partijen voor een effectievere aanpak van dit vraagstuk. Zij ervaren

vooral de voorstellen over het overhevelen van de OGGZ-middelen naar gemeenten en de

voorstellen waardoor de Wet Bopz beter gebruikt kan worden als een doorbraak. Het plan

speelt in op de vele initiatieven die voor deze groep al ondernomen worden. Daarom bevat

deze brief ook ‘good practices’ waarvan ik hoop dat daarvan een voorbeeldwerking uitgaat.

De in dit plan aangekondigde acties zullen in het stramien van het programma ‘Naar een

veiliger samenleving’uitgewerkt worden en dientengevolge bijdragen aan de doelstelling van

dat programma3. Over de voortgang van dit plan rapporteert het kabinet via de tussentijdse

rapportages. De eerstvolgende verschijnt in mei 2005.

2 Probleemanalyse

2.1 Kwantitatieve en kwaltitatieve analyse van de doelgroep: overlastgevende zorgmijders

Nederland

15.200 dak- en thuislozen in 2001 (schatting in Zwerven in de 21e eeuw, 2003); andere

schattingen zijn beduidend hoger

4839 rechterlijke machtigingen en 6861 inbewaringstellingen GGZ in 2002, gemeld bij IGZ

8000 mensen met ernstige psychiatrische problemen die geen contact hebben met de

hulpverlening en waarbij sprake is van geregeld optredende acute nood, bijvoorbeeld door

verergering van ziekteverschijnselen, zoals wanen en hallucinaties, al dan niet in combinatie

met verslavingsproblemen (Advies Gezondheidsraad, Zorg voor niet-opgenomen acute

psychiatrische patiënten, 2004)

Amsterdam

4000 dak- en thuislozen (schatting van gemeente gebaseerd op gemiddeld 2000 dak- en

thuislozen per dag)

4200 harddrugsverslaafden, waarvan 1500 problematisch

Den Haag

788-1275 daklozen (Trimbos-rapport 2001)

Rotterdam

4600 dak- en thuislozen

3000 problematisch verslaafden

700 personen die extreme overlast bezorgen, crimineel gedrag vertonen, mogelijk verslaafd

zijn en/of psychiatrische problemen hebben en vaak dak- en thuisloos zijn (schatting)

Utrecht

500 overlastgevende zorgmijders

800-1000 daklozen (schatting in Zorg op straat 1)

1500 verkommerden en verloederden

3 In de periode 2008-2010 moet het Veiligheidsprogramma leiden tot een reductie van criminaliteit en

overlast in de publieke ruimte met 20 tot 25%. Die reductie moet in 2006 in de probleemwijken in de

grote steden reeds in 2006 (meting 2007) waarneembaar zijn.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

3

Kenmerk

GVM 2544696

De groep zorgmijders is moeilijk in kaart te brengen. Als individu zijn ze bekend bij politie en

hulpverlening. Maar specifieke cijfers over deze doelgroep ontbreken. De betrouwbaarheid

en vergelijkbaarheid van de cijfers laat nog veel te wensen over. Bovenstaand kader bevat

enkele landelijke cijfers die vooral gebaseerd zijn op schattingen, aangevuld met cijfers van

de G4.

De doelgroep bestaat uit een vooral op straat zichtbare groep mensen die niet de hulp (wil)

krijgen die zij nodig heeft. Daardoor dreigt voor hen maatschappelijke teloorgang. De

belangrijkste oorzaken daarvoor zijn verslaving aan drugs of alcohol, psychische en

persoonlijkheidsstoornissen.

De verloedering gaat in een aantal gevallen samen met overlastgevend gedrag. De strafbare

feiten die hiermee gepaard gaan, leveren hooguit korte vrijheidsstraffen op. Ze zijn in veel

gevallen te licht voor toepassing van de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor

Stelselmatige Daders (voor veelplegers). Het strafrecht is niet het geschikte middel om

overlast te bestrijden.

2.2 Huidig instrumentarium: er kan meer, maar er zijn leemten

De oorzaken waarom weinig overlastgevende zorgmijders de zorg en ondersteuning krijgen

die zij nodig hebben, zijn hun eigen gedrag, de ontoegankelijkheid van het zorgaanbod,

ontoereikend (gebruik van) het bestuurlijk-juridisch instrumentarium op lokaal niveau en het

onvoldoende toepassen van de wet Bopz.

Zorgmijders onttrekken zich aan de hulpverlening, omdat zij bijvoorbeeld weten dat zij vaak

met hun drugsgebruik moeten stoppen als ze in een instelling willen blijven. Maar het kan

ook het gevolg zijn van slechte ervaringen, bijvoorbeeld omdat ze ooit onder dwang zijn

opgenomen. Ze hebben een wantrouwen gekregen jegens mensen die hen willen helpen.

Schakelstation Zuid-Kennemerland

Het doel van de ketensamenwerking is de kwaliteit van leven van sociaal kwetsbare mensen

met zorgmijdend gedrag én hun omgeving te verbeteren. Inzet op het verminderen van de

overlast voor de samenleving en de cliënt zelf is daarmee ook een samenwerkingsdoel.

De ondertekening op 23 september jl. van een ketensamenwerkingsovereenkomst gericht op

kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag vormde de start van het Schakelstation: een

centraal meld- en coördinatie(regie)punt bij de GGD waar kwetsbare mensen worden

aangemeld, geregistreerd, aan een mentor gekoppeld en blijvend worden gevolgd. De

mentoren zijn afkomstig van elf ketenpartners.

Deze missie realiseren de ketenpartners door meer dan voorheen op assertieve wijze te

blijven zoeken naar een passend aanbod: durven doen. Door daadwerkelijk vorm te geven

aan het integrale karakter van het aanbod: samen werken en door alleen afspraken te maken

die nagekomen kunnen worden en deze uitvoeren: doen wat je zegt.

Bron: Kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag in Zuid-Kennemerland

Wanneer zorgmijders toch hulp zoeken zijn er voor hen hoge drempels. Want de regels en

methoden die instanties (moeten) hanteren sluiten nauwelijks aan bij de dagelijkse realiteit

van zorgmijders. Ze hebben geen adres, telefoon, agenda, geld en officiële documenten.

Ook hanteren instellingen op therapeutische gronden contra-indicaties op grond waarvan

een opname geweigerd kan worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om verslaving.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

4

Kenmerk

GVM 2544696

Gelukkig ontwikkelen steeds meer zorginstellingen vormen van bemoeizorg. Het gaat vaak

om een combinatie van psychiatrische zorg, praktische hulp en het bieden van onderdak,

veiligheid en voedsel. Doel is contact leggen en houden, patiënten praktisch begeleiden en

zo mogelijk behandelen. Maar de financiering vindt vaak plaats op projectbasis. Dat betekent

dat instellingen het aanbod wel opstarten, maar dit stopzetten als de geldstroom wegvalt.

Ook ondervinden instellingen problemen om voor bemoeizorg kenmerkende activiteiten als

cliëntfinding, veelvuldige contacten met het netwerk en ‘no show-contacten’ gedeclareerd

te krijgen.

De samenwerking tussen instellingen is te vrijblijvend. Dit wordt onder meer veroorzaakt

door versnippering van de hulpverlening en financieringsstromen, (vermeende)

belemmeringen in privacy-wetgeving, verschillen in definities en informatieregimes,

capaciteitsproblemen (sancties/zorg), niet-sluitende overdracht en gebrek aan

ketenmanagement en –regie.4 Wel is de vraag gewettigd of instellingen zich niet achter deze

argumenten verschuilen. Bovenstaand voorbeeld laat zien dat er veel kan. Er zijn meer van

deze voorbeelden, maar de basis van die samenwerking is wel vrijwillig. Vooral gemeenten

willen daarom meer zeggenschap over het aanbod van de GGZ en de verslavingszorg. Zij

denken dan beter in staat te zijn regie te voeren over de ketenpartners rondom deze

doelgroep. De indruk bestaat wel dat gemeenten meer dan nu hun eigen aanbod op het

terrein van huisvesting, dagbesteding, schuldhulpverlening en arbeidsreïntegratie kunnen

benutten voor een meer assertieve aanpak van deze groep. Onderstaand voorbeeld van de

gezamenlijke aanpak in Amsterdam Zuidoost illustreert dat.

Geïntegreerde Voorziening Drugshulpverlening Amsterdam Zuidoost

Het totaal aantal drugsverslaafden in Zuidoost wordt, op kwartaalbasis, geschat op 900

personen. Het gaat voor ca. 80% om mannen van Surinaams/ Nederlands Antilliaanse

origine, ouder dan 40 jaar. De verslavingsduur is meer dan twintig jaar. Het aantal

drugsverslaafden dat geen gebruik maakt van hulpverlening en uitkeringsrechten is

aanzienlijk. Om hierin verandering aan te brengen heeft Amsterdam een geïntegreerde

voorziening tot stand gebracht waarin de ketenpartners uit de domeinen zorg, werk,

inkomen, politie en justitie samenwerken. Zij leveren de cliënten aan voor deze voorziening.

Ook de Sociale Dienst maakt deel uit van deze voorziening. De Sociale dienst beheert voor

ca. 300 cliënten de uitkering en/of verstrekt bijstand in natura in de vorm van het regelen

van slaapplaatsen. Door de geïntegreerde aanpak door verschillende organisties worden

drugsverslaafde cliënten beter bereikt. Op deze wijze is het naar verwachting mogelijk

cliënten daadwerkelijk gebruik te laten maken van aangewezen hulp c.q. onderdak. De

bedoeling is dat het aantal cliënten van de Sociale Dienst dat gebruikt maakt van de

Geïntegreerde Voorziening stijgt tot 500 cliënten op jaarbasis.

Bron GGGD Amsterdam

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde biedt

gemeenten ook mogelijkheden om meer assertief op te treden naar overlastgevende

zorgmijders. Zij kunnen regels stellen en op overtreding daarvan straf stellen. Een voorbeeld

is de strafbaarstelling van bedelarij. Rotterdam is voor zover bekend de enige gemeente die

van deze mogelijkheid gebruik maakt. De model-APV van de VNG bevat geen modelbepaling

over deze onderwerpen. Bij gemeenten lijkt hier geen behoefte aan te bestaan. Wanneer het

niet gelukt is dat al of niet onder drang zorgmijders vrijwillig hulp accepteren, resteert de

4 Opsomming ontleend aan rapport Boer&Croon over Veelplegers.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

5

Kenmerk

GVM 2544696

optie van dwangopname en –behandeling. De mogelijkheden daarvoor zijn beperkt, maar

worden niet volledig benut. Dat laatste heeft vooral te maken met verschillende

interpretaties van begrippen uit de Wet Bopz. Deze wet ziet toe op gedwongen opnemingen

van onder andere psychiatrische patiënten in psychiatrische instellingen als er sprake is van

een gevaarssituatie voor de persoon zelf of voor diens omgeving die wordt veroorzaakt door

een geestesstoornis. De praktijk leert dat vooral bij de hulpverlening onduidelijkheid bestaat

of ernstige verslaving een geestesstoornis is in de zin van de Wet Bopz. Ook de toepassing

van het gevaarscriterium laat verscheidenheid zien. Er zijn voorbeelden waarin rechters het

gevaarscriterium heel nauw hanteren. Ook psychiaters doen dat en zien dan af van een gang

naar de rechter. Anderzijds komen rechters en psychiaters in hun uitleg van het

gevaarscriterium dicht bij het bestwil-criterium. Sommige psychiaters zijn aarzelend over een

dwangopneming als zij twijfelen aan de mogelijkheid van behandeling. Andere psychiaters

vinden dat de drempel voor dwangbehandeling te hoog is: “als er makkelijker onder dwang

kan worden behandeld, kun je mensen snel van straat halen en hoef je ze ook niet zo lang

hun vrijheid te benemen”. Deze psychiaters vinden dat zij nu met de handen op de rug

moeten toekijken omdat ze niet onder dwang mogen behandelen.

3 Uitgangspunten

Een verbetering van de zorg aan mensen aan de rand van de samenleving komt de kwaliteit

van hun leven ten goede. Daardoor zal bovendien de overlast die deze mensen veroorzaken

verminderen. Het perspectief om beleid te ontwikkelen voor deze groep kan niet òf overlast

òf zorg zijn. Het gaat om een tweevoudig perspectief: door het bieden van adequate zorg en

een verbetering van de kwaliteit van leven vermindert de overlast.

Overlastgevende zorgmijders moeten de hulp krijgen die zij nodig hebben om een verdere

teloorgang en de overlast die daarmee gepaard gaat te voorkomen. Dat begint bij de directe

omgeving die de teloorgang moet signaleren bij gemeentelijke of zorginstellingen. Bij

gemeenten ligt ook de beleidsverantwoordelijkheid om te voorkomen dat mensen tot deze

doelgroep gaan behoren.

Vervolgens vraagt dat een persoonsgerichte aanpak omdat het algemene beleid onvoldoende

effectief is voor deze doelgroep. Zonodig wordt deze hulp afgedwongen, hetzij bij de cliënt,

hetzij bij de betrokken instellingen. Gemeenten regisseren een optimale keten van zorg- en

dienstverlening voor deze groep.

Om deze situatie te bereiken moeten drie dingen verbeteren.

In de eerste plaats moet deze groep meer dan nu op de huid gezeten worden om hulp te

accepteren. Intensieve drang moet worden uitgeoefend om iemand hulp te laten accepteren.

Ten tweede moet als dat niet lukt, het in specifieke situaties gemakkelijker worden om

mensen onder dwang te helpen. Het recht op zorg (de noodzaak van zorg) en het belang van

de samenleving kunnen zwaarder wegen dan het recht op zelfbeschikking van mensen als zij

door hun verslaving of stoornis maatschappelijk teloor dreigen te gaan. Dat rechtvaardigt

(onorthodoxe) maatregelen met meer accent op drang en – als het niet anders kan – op

dwang. Dwang blijft een ultimum remedium. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot

dwangopname. Als dat nodig is, moet er onder dwang behandeld kunnen worden, mits

duidelijk is waarvoor en onder waarborgen.

In de derde plaats is het nodig dat de samenwerking tussen instellingen minder vrijblijvend

wordt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

6

Kenmerk

GVM 2544696

Op basis van een cliëntvolgsysteem zijn instellingen altijd op de hoogte van het

hulpverleningstraject. Als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld in een crisissituatie moet

de medewerking van een instelling door een gemeente afgedwongen kunnen worden.

Het voorliggende plan is erop gericht om de hiervoor geschetste verbeteringen te realiseren.

Dat wil zeggen dat overlastgevende zorgmijders eerder en beter dan nu geholpen worden.

Met dit programma wil het kabinet bereiken dat in 2007 daarvoor de voorwaarden aanwezig

zijn.

Zoals gezegd, overlast, criminaliteit door verslaafden en dealers zullen als gevolg van

opvang en verbetering van leefomstandigheden afnemen. Ze zullen niet volledig verdwijnen.

Het gaat het om het beheersbaar maken van dit vraagstuk.

4 Doelstellingen en maatregelen

Het kabinet heeft voor 2007 de volgende doelstellingen geformuleerd:

􀂃 De mogelijkheden voor drang op cliënten om hulp te accepteren zijn vergroot

􀂃 De ketensamenwerking tussen instellingen is minder vrijblijvend gemaakt

􀂃 Het gebruik van de Wet Bopz voor deze doelgroep is verbeterd

Op dit moment vindt al het nodige plaats om deze drie doelstellingen te realiseren. In

aanvulling daarop zijn maatregelen nodig om te zorgen dat die doelen daadwerkelijk

gerealiseerd worden. Het gaat dan vooral om maatregelen die tegemoet komen aan wat

iemand nodig heeft om weer enigszins gewoon in onze samenleving mee te doen.

4.1 Verruimen van drang op cliënten om ondersteuning en hulp te accepteren

Het kabinet wil dat er meer zorgmijders hulp gaan aanvaarden dan nu het geval is. Daarvoor

is nodig dat de zorg assertiever wordt aangeboden en dat het aanbod beter aansluit op de

behoefte van de doelgroep.

Ontwikkelen van een verbeterd assertief zorgaanbod

Bemoeizorg: GGZ voor veiligheid

De GGZ wil mensen met ernstige psychische stoornissen die de zorg mijden, in zorg krijgen

en houden. Bij deze ambitie hebben vele partijen belang, vooral op lokaal niveau. Denk

bijvoorbeeld aan gemeenten en politie. Daarom moeten GGZ-instellingen concrete en

wederzijds verplichtende afspraken maken met lokale partijen. De GGZ draagt op deze

manier bij aan een veiliger samenleving voor iedereen: patiënt en burger. Daarnaast zorgt de

GGZ voor voldoende beveiligde bedden voor specifieke doelgroepen. Zo komen er beveiligde

bedden voor patiënten met een psychische stoornis en gedragsproblemen, voor patiënten

die een delict gepleegd hebben en voor ernstig verslaafde patiënten die heroïne krijgen.

Uit Visiedocument GGZ Nederland , november 2004

Er is een meer assertieve benadering nodig om meer zorgmijders hulp te laten aanvaarden.

Het kabinet juicht daarom toe dat in de steden steeds meer bemoeizorg plaatsvindt. De

ambitie van de GGZ-sector om in 2009 alle zorgmijders in beeld hebben en de helft daarvan

in behandeling zal ongetwijfeld daarop een positief effect hebben. Het kabinet onderschrijft

deze ambitie, maar wil ook met de sector afspraken maken wat hiervan al in 2007

gerealiseerd is.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

7

Kenmerk

GVM 2544696

Een goed voorbeeld overigens van het assertief aanbieden van zorg is de toepassing van

Assertive Community Treatment (ACT). Verschillende ggz-instellingen in Nederland passen

deze methodiek met succes toe.

Een andere mogelijkheid om drang uit te oefenen biedt de dit jaar in werking getreden Wet

werk en bijstand (Wwb). Deze wet biedt gemeenten instrumenten om de bijstandsverlening

in te zetten om bijvoorbeeld zorgmijders te verleiden om hulp te accepteren. Ik verwijs

hierbij naar het eerder beschreven experiment in Amsterdam-Zuidoost.

Een specifieke groep waarop steden drang willen uitoefenen zijn verslaafden die uit de eigen

stad afkomstig zijn. Om hun overlast te verminderen ontwikkelt een aantal steden (Utrecht,

Heerlen, Rotterdam) een beleid om ze terug te leiden naar hun oorspronkelijke zorg- en

sociale netwerk. Dit beleid is mede ingegeven door de aanpak in Zwitserland van de overlast

van harddrugsverslaafden. Strikt genomen is dit beleid op dit moment in strijd met de

landelijke toegankelijkheid van voorzieningen voor maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid. Het kabinet is bereid om de eis van landelijke toegankelijkheid te beperken

tot de crisisopvang (inclusief de vrouwenopvang). Deze beperking draagt bij aan het

verminderen van de druk op de grote steden. Genoemde voorzieningen vallen vanaf 2006

onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In het wetsvoorstel dat het kabinet

volgend voorjaar naar de Kamer zal sturen zal deze beperking worden opgenomen.

Ontwikkelen van een aanbod dat beter aansluit op behoefte doelgroep

Niet alleen de benadering van de zorgmijders behoeft verbetering, ook het aanbod zelf moet

meer aansluiten op de behoeften van deze groep. Want onder deze groep van zorgmijders

bevinden zich vooral in de vier grote steden mensen die niet meer vatbaar lijken voor

behandeling. Het gaat dan vooral om chronisch verslaafden voor wie, ook al zijn ze

opgenomen – al dan niet onder dwang – , weinig mogelijkheden voor behandeling zijn. Zij

zullen niet afkicken. Deze groep heeft behoefte aan voorzieningen, mogelijk zelfs buiten de

stad, waar zij zonder verplichting tot behandeling kunnen verblijven. Het moet daar ook

mogelijk zijn om onder voorwaarden te gebruiken. Zij krijgen daar onderdak en een zinvolle

dagbesteding. Het kabinet wil met steden nader bezien onder welke voorwaarden een

dergelijke voorziening tot stand kan komen. Het uitgangspunt is een vrijwillig verblijf.

Mogelijk kan hier een verbinding gelegd worden met de brede pilot die de minister van

Justitie van plan is met het ‘Doe normaal contract’. Een dergelijk contract kan eraan

bijdragen dat het verblijf in een dergelijke voorziening niet vrijblijvend is.

Een andere mogelijkheid om het aanbod beter te laten aansluiten bij de behoefte van de

doelgroep biedt de verruiming van de heroïnebehandeling. De Tweede Kamer heeft

ingestemd met de uitbreiding van de heroïnebehandeling van 300 naar maximaal 1000

plaatsen, verdeeld over 15 behandeleenheden verspreid over Nederland. Nu zijn er zes

eenheden. De behandeling blijft bestemd voor ernstig zieke, chronisch heroïneverslaafden

die geen baat hadden bij methadonbehandeling alleen. BZK heeft € 1 mln. per jaar (voor een

periode van 3 jaar) beschikbaar gesteld voor de nieuwe behandeleenheden.

4.2 De ketensamenwerking tussen instellingen wordt minder vrijblijvend

De problemen van overlastgevende zorgmijders liggen op verschillende terreinen. Voor een

effectieve aanpak is een goede samenwerking tussen ketenpartners vereist. Dat vraagt om

sterke regiefunctie van de gemeente. Ook kan de samenwerking verbeterd worden als de

gegevensuitwisseling goed verloopt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

8

Kenmerk

GVM 2544696

Vergroten van gemeentelijke zeggenschap over aanbod ggz-instellingen

De gemeentelijke regierol kan versterkt worden als gemeenten meer zeggenschap krijgen

over de GGZ. In de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) is vastgelegd dat de

gemeenteraad zorg moet dragen voor het bevorderen van openbare geestelijke

gezondheidszorg (OGGZ). Daaronder wordt o.a. verstaan het bereiken en begeleiden van

kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis

of dreiging van crisis bij kwetsbare groepen en risicogroepen en het tot stand brengen van

afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de OGGZ. In veel

gemeenten bestaan op vrijwillige basis OGGZ-convenanten, zoals het hiervoor beschreven

Schakelstation. Maar gemeenten missen de zeggenschap om aanbod van GGZ-instellingen in

te kopen. Het kabinet wil de gemeenten die invloed geven. Daarom heeft het kabinet

besloten de middelen voor de OGGZ over te hevelen van de AWBZ naar gemeenten.

Overheveling sluit ook aan bij het voornemen de OGGZ-subsidieregeling onder te brengen in

de WMO.5

Bij de uitwerking hecht het kabinet er zeer aan dat de over te hevelen middelen ingezet

worden voor deze doelgroep zodat de overheveling bijdraagt aan het doel dat meer

zorgmijders hulp accepteren. Het kabinet wil dat gemeenten hun verantwoordelijkheid

nemen en prestatieafspraken maken met de aanbieders van zorg, bijvoorbeeld over het

aantal overlastgevende zorgmijders dat hulp aanvaardt en van wie de overlast vermindert.

In dit verband wil ik in twee gemeenten in het kader van de WMO proeftuinen starten die

gericht zijn op een betere ketenzorg voor overlastgevende zorgmijders, waarbij de

geselecteerde gemeenten zich toeleggen op een gekwantificeerde ambitie.

Het kabinet wil voor 1 april 2005 de Kamer informeren over de precieze uitwerking van deze

overheveling. Gemeenten zullen betrokken worden bij de uitwerking.

De voorgestelde overheveling versterkt de regiefunctie van gemeenten. Daarnaast wordt

bezien of het ‘Doe normaal-contract’ voor deze doelgroep mogelijkheden biedt. Bij de

voorbereiding van dit plan is ook gekeken naar andere opties om het bestuurlijk

instrumentarium te vergroten. Voor een model-APV overlast lijkt geen draagvlak te bestaan.

Hierover blijft het kabinet in overleg met gemeenten.

Nazorg na detentie

De hiervoor genoemde overheveling van GGZ-middelen naar gemeenten stelt gemeenten ook

beter in staat om de nazorg na detentie te regisseren. Voor de overige maatregelen die

getroffen zijn om de aansluiting van detentie en opvang en verdere nazorg te verbeteren

verwijs ik naar de onlangs uitgebrachte voortgangrapportage over de uitvoering van het

kabinetsstandpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt en de brief van

de minister van Justitie over nazorg voor ex-gedetineerden.6

Voorwaarden scheppen waardoor privacy geen excuus meer kan zijn

Gegevensuitwisseling is nodig voor een goede ketensamenwerking. VWS ondersteunt de

totstandkoming en de implementatie van een checklist ‘Omgaan met persoonsgegevens in

het kader van bemoeizorg’. De checklist beschrijft de doelgroep en het doel van de

gegevensuitwisseling.

5 Kamerstukken II, 2003-20045, 29538, nr.1

6 Kamerstukken II, 2004-2005, 27 834, nr. 36

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

9

Kenmerk

GVM 2544696

Deze checklist is het resultaat van een gezamenlijke actie van GGZ Nederland, GGD

Nederland en de KNMG. De checklist wordt over enkele maanden in een invitational

conference gepresenteerd. Daarna kan de checklist in het gehele land gebruikt worden.

VWS zal de een ruime verspreiding ervan mogelijk maken.

Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden een beroep doen op (producten van) de

Helpdesk privacy van Justitie. De afgelopen jaren heeft deze Helpdesk al een Handreiking

uitgebracht voor gemeenten over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie en een

Modelconvenant over de gegegevensuitwisseling tussen partijen betrokken bij het

criminaliteitspreventiebeleid in gemeenten.

VWS zal tenslotte de IGZ vragen advies uit brengen over de vraag of het privacyvraagstuk

op het onderhavige terrein hiermee van voldoende instrumenten is voorzien of dat nog

aanvullende maatregelen nodig zijn.

4.3 Het gebruik van de Wet Bopz verbeteren

In het kabinetsstandpunt Wet Bopz heeft het kabinet geconcludeerd dat de praktijk nog

onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden van deze wet voor deze doelgroep.7

Richtlijnen met betrekking tot centrale begrippen in de Wet Bopz moeten ertoe leiden dat in

de praktijk beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu al biedt.

Daarom heeft de minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor psychiatrie (NVvP)

opdracht gegeven om, in samenwerking met de departementen van Justitie en VWS, de

rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en gemeenten, aan te geven in welke gevallen

en situaties de Wet Bopz voorziet in de mogelijkheid tot dwangopname, van onder meer

ernstig verslaafden. Deze richtlijn is in het voorjaar van 2005 beschikbaar.

In hetzelfde standpunt heeft het kabinet ook aangekondigd de wet aan te passen om de

mogelijkheden tot dwangbehandeling binnen de instelling te verruimen. Het kabinet is

voornemens binnen enkele maanden de contouren van de daartoe noodzakelijke

wetswijziging te formuleren en deze ter consultatie voor te leggen aan de instellingen die

daarvoor als gebruikelijk in aanmerking komen.

In aanvulling op deze maatregelen wil het kabinet de meerwaarde onderzoeken van een

nazorg onder toezicht-register, zoals dat door Rotterdam en andere steden bepleit wordt.

Hiermee willen zij voorkomen dat iemand na het ontslag uit het psychiatrische ziekenhuis

aan zijn lot wordt overgelaten. Er zouden voorwaarden aan het ontslag gesteld worden.

Ontslag is alleen mogelijk als er nazorg geregeld is; de patiënt moet zich houden aan

afspraken, anders volgt een nieuwe dwangopname; nazorginstellingen moeten zich ook

houden aan de afspraken.

Mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en

Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

drs. Clémence Ross-van Dorp

7 Kamerstukken II, 2003-2004, 25673 en 28950, nr. 4vv

Ministeries van VWS die al jaren op de hoogte zijn dat instellingen in de zorg en welzijn meer bezig zijn met hun eigenbelangen en het veilig stellen van de werkgelegenheid dan dat zij de belangen en zorg voor de client/patient voorop stellen en dat heeft geleid tot de explosie in de AWBZ/PGB uitgaven dankzij de ontbrekende staatstoezicht en aansturing en waar de burgers nu de rekening voor moeten betalen
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Postbus 20350

2500 EJ DEN HAAG

Telefoon (070) 340 79 11
Fax (070) 340 78 34

Bezoekadres:

Parnassusplein 5

2511 VX DEN HAAG

Correspondentie uitsluitend

richten aan het postadres

met vermelding van de

datum en het kenmerk van

deze brief

Internetadres:

www.minvws.nl

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Ons kenmerk Inlichtingen bij Doorkiesnummer Den Haag

GVM 2544696

Onderwerp Bijlage(n) Uw brief

Plan van aanpak

verloedering en overlast 2005-2007

1 Inleiding

In het standpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt heeft het kabinet

toegezegd zich te bezinnen op de vraag of in de keten van maatschappelijke opvang meer

dwang toegepast zou moeten worden.1 Het voorliggende Plan van aanpak verloedering en

overlast is het resultaat daarvan.

De aanpak van verloedering en overlast is voor dit kabinet ook in het kader van normen en

waarden een belangrijk onderwerp. Binnen verschillende beleidsdomeinen

(criminaliteitspreventie, veiligheidsbeleid, gezondheidszorg) is er een groep mensen in beeld

die onevenredig veel aandacht vraagt van lokale instanties (wonen, welzijn en politie) en

overlast bij medeburgers veroorzaakt. Die overlast vindt zijn oorzaak in psychische

problemen, verslavingsproblemen en dakloosheid. Desondanks mijden ze vaak de zorg. Maar

het past onze samenleving niet om deze mensen aan hun lot over te laten. Het kabinet wil

ook deze mensen in staat stellen zo volwaardig en zelfstandig mogelijk deel te nemen aan

de samenleving. Daarvoor doet het een beroep op de verantwoordelijkheid van deze burgers

én op de verantwoordelijkheid van instellingen om deze groep burgers niet aan hun lot over

te laten.

Het kabinet onderscheidt in zijn beleid drie groepen overlastgevenden:

1. De veelplegers, die niet alleen overlast veroorzaken, maar ook veel misdrijven plegen.

Vaak is er een relatie met alcohol en/of drugsverslaving. De Wet plaatsing in een

inrichting voor stelselmatige daders, die op 1 oktober 2004 in werking is getreden, biedt

mogelijkheden hiertegen effectief op te treden.

2. Overlastgevende zorgmijders die overlast veroorzaken waarbij een (oorzakelijke) relatie is

met ernstige psychische en verslavingsproblemen en dakloosheid.

3. Overlastgevenden van wie het gedrag als asociaal bestempeld wordt. Over de aanpak

van deze groep heeft de minister van Justitie u onlangs een brief gestuurd.2

1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29325, nr.1

2 Kamerstukken II, 2004-2005, 28684, nr.39

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

2

Kenmerk

GVM 2544696

Het voorliggende plan van aanpak heeft betrekking op de overlastgevende zorgmijders. Dat

laat onverlet dat de aanpak van de overlast van de andere twee groepen positieve effecten

heeft op deze groep.

Bij de voorbereiding van dit plan van aanpak heeft overleg met gemeenten, zorginstellingen

en justitiële instellingen plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat dit plan ook tegemoet komt

aan wensen van deze partijen voor een effectievere aanpak van dit vraagstuk. Zij ervaren

vooral de voorstellen over het overhevelen van de OGGZ-middelen naar gemeenten en de

voorstellen waardoor de Wet Bopz beter gebruikt kan worden als een doorbraak. Het plan

speelt in op de vele initiatieven die voor deze groep al ondernomen worden. Daarom bevat

deze brief ook ‘good practices’ waarvan ik hoop dat daarvan een voorbeeldwerking uitgaat.

De in dit plan aangekondigde acties zullen in het stramien van het programma ‘Naar een

veiliger samenleving’uitgewerkt worden en dientengevolge bijdragen aan de doelstelling van

dat programma3. Over de voortgang van dit plan rapporteert het kabinet via de tussentijdse

rapportages. De eerstvolgende verschijnt in mei 2005.

2 Probleemanalyse

2.1 Kwantitatieve en kwaltitatieve analyse van de doelgroep: overlastgevende zorgmijders

Nederland

15.200 dak- en thuislozen in 2001 (schatting in Zwerven in de 21e eeuw, 2003); andere

schattingen zijn beduidend hoger

4839 rechterlijke machtigingen en 6861 inbewaringstellingen GGZ in 2002, gemeld bij IGZ

8000 mensen met ernstige psychiatrische problemen die geen contact hebben met de

hulpverlening en waarbij sprake is van geregeld optredende acute nood, bijvoorbeeld door

verergering van ziekteverschijnselen, zoals wanen en hallucinaties, al dan niet in combinatie

met verslavingsproblemen (Advies Gezondheidsraad, Zorg voor niet-opgenomen acute

psychiatrische patiënten, 2004)

Amsterdam

4000 dak- en thuislozen (schatting van gemeente gebaseerd op gemiddeld 2000 dak- en

thuislozen per dag)

4200 harddrugsverslaafden, waarvan 1500 problematisch

Den Haag

788-1275 daklozen (Trimbos-rapport 2001)

Rotterdam

4600 dak- en thuislozen

3000 problematisch verslaafden

700 personen die extreme overlast bezorgen, crimineel gedrag vertonen, mogelijk verslaafd

zijn en/of psychiatrische problemen hebben en vaak dak- en thuisloos zijn (schatting)

Utrecht

500 overlastgevende zorgmijders

800-1000 daklozen (schatting in Zorg op straat 1)

1500 verkommerden en verloederden

3 In de periode 2008-2010 moet het Veiligheidsprogramma leiden tot een reductie van criminaliteit en

overlast in de publieke ruimte met 20 tot 25%. Die reductie moet in 2006 in de probleemwijken in de

grote steden reeds in 2006 (meting 2007) waarneembaar zijn.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

3

Kenmerk

GVM 2544696

De groep zorgmijders is moeilijk in kaart te brengen. Als individu zijn ze bekend bij politie en

hulpverlening. Maar specifieke cijfers over deze doelgroep ontbreken. De betrouwbaarheid

en vergelijkbaarheid van de cijfers laat nog veel te wensen over. Bovenstaand kader bevat

enkele landelijke cijfers die vooral gebaseerd zijn op schattingen, aangevuld met cijfers van

de G4.

De doelgroep bestaat uit een vooral op straat zichtbare groep mensen die niet de hulp (wil)

krijgen die zij nodig heeft. Daardoor dreigt voor hen maatschappelijke teloorgang. De

belangrijkste oorzaken daarvoor zijn verslaving aan drugs of alcohol, psychische en

persoonlijkheidsstoornissen.

De verloedering gaat in een aantal gevallen samen met overlastgevend gedrag. De strafbare

feiten die hiermee gepaard gaan, leveren hooguit korte vrijheidsstraffen op. Ze zijn in veel

gevallen te licht voor toepassing van de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor

Stelselmatige Daders (voor veelplegers). Het strafrecht is niet het geschikte middel om

overlast te bestrijden.

2.2 Huidig instrumentarium: er kan meer, maar er zijn leemten

De oorzaken waarom weinig overlastgevende zorgmijders de zorg en ondersteuning krijgen

die zij nodig hebben, zijn hun eigen gedrag, de ontoegankelijkheid van het zorgaanbod,

ontoereikend (gebruik van) het bestuurlijk-juridisch instrumentarium op lokaal niveau en het

onvoldoende toepassen van de wet Bopz.

Zorgmijders onttrekken zich aan de hulpverlening, omdat zij bijvoorbeeld weten dat zij vaak

met hun drugsgebruik moeten stoppen als ze in een instelling willen blijven. Maar het kan

ook het gevolg zijn van slechte ervaringen, bijvoorbeeld omdat ze ooit onder dwang zijn

opgenomen. Ze hebben een wantrouwen gekregen jegens mensen die hen willen helpen.

Schakelstation Zuid-Kennemerland

Het doel van de ketensamenwerking is de kwaliteit van leven van sociaal kwetsbare mensen

met zorgmijdend gedrag én hun omgeving te verbeteren. Inzet op het verminderen van de

overlast voor de samenleving en de cliënt zelf is daarmee ook een samenwerkingsdoel.

De ondertekening op 23 september jl. van een ketensamenwerkingsovereenkomst gericht op

kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag vormde de start van het Schakelstation: een

centraal meld- en coördinatie(regie)punt bij de GGD waar kwetsbare mensen worden

aangemeld, geregistreerd, aan een mentor gekoppeld en blijvend worden gevolgd. De

mentoren zijn afkomstig van elf ketenpartners.

Deze missie realiseren de ketenpartners door meer dan voorheen op assertieve wijze te

blijven zoeken naar een passend aanbod: durven doen. Door daadwerkelijk vorm te geven

aan het integrale karakter van het aanbod: samen werken en door alleen afspraken te maken

die nagekomen kunnen worden en deze uitvoeren: doen wat je zegt.

Bron: Kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag in Zuid-Kennemerland

Wanneer zorgmijders toch hulp zoeken zijn er voor hen hoge drempels. Want de regels en

methoden die instanties (moeten) hanteren sluiten nauwelijks aan bij de dagelijkse realiteit

van zorgmijders. Ze hebben geen adres, telefoon, agenda, geld en officiële documenten.

Ook hanteren instellingen op therapeutische gronden contra-indicaties op grond waarvan

een opname geweigerd kan worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om verslaving.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

4

Kenmerk

GVM 2544696

Gelukkig ontwikkelen steeds meer zorginstellingen vormen van bemoeizorg. Het gaat vaak

om een combinatie van psychiatrische zorg, praktische hulp en het bieden van onderdak,

veiligheid en voedsel. Doel is contact leggen en houden, patiënten praktisch begeleiden en

zo mogelijk behandelen. Maar de financiering vindt vaak plaats op projectbasis. Dat betekent

dat instellingen het aanbod wel opstarten, maar dit stopzetten als de geldstroom wegvalt.

Ook ondervinden instellingen problemen om voor bemoeizorg kenmerkende activiteiten als

cliëntfinding, veelvuldige contacten met het netwerk en ‘no show-contacten’ gedeclareerd

te krijgen.

De samenwerking tussen instellingen is te vrijblijvend. Dit wordt onder meer veroorzaakt

door versnippering van de hulpverlening en financieringsstromen, (vermeende)

belemmeringen in privacy-wetgeving, verschillen in definities en informatieregimes,

capaciteitsproblemen (sancties/zorg), niet-sluitende overdracht en gebrek aan

ketenmanagement en –regie.4 Wel is de vraag gewettigd of instellingen zich niet achter deze

argumenten verschuilen. Bovenstaand voorbeeld laat zien dat er veel kan. Er zijn meer van

deze voorbeelden, maar de basis van die samenwerking is wel vrijwillig. Vooral gemeenten

willen daarom meer zeggenschap over het aanbod van de GGZ en de verslavingszorg. Zij

denken dan beter in staat te zijn regie te voeren over de ketenpartners rondom deze

doelgroep. De indruk bestaat wel dat gemeenten meer dan nu hun eigen aanbod op het

terrein van huisvesting, dagbesteding, schuldhulpverlening en arbeidsreïntegratie kunnen

benutten voor een meer assertieve aanpak van deze groep. Onderstaand voorbeeld van de

gezamenlijke aanpak in Amsterdam Zuidoost illustreert dat.

Geïntegreerde Voorziening Drugshulpverlening Amsterdam Zuidoost

Het totaal aantal drugsverslaafden in Zuidoost wordt, op kwartaalbasis, geschat op 900

personen. Het gaat voor ca. 80% om mannen van Surinaams/ Nederlands Antilliaanse

origine, ouder dan 40 jaar. De verslavingsduur is meer dan twintig jaar. Het aantal

drugsverslaafden dat geen gebruik maakt van hulpverlening en uitkeringsrechten is

aanzienlijk. Om hierin verandering aan te brengen heeft Amsterdam een geïntegreerde

voorziening tot stand gebracht waarin de ketenpartners uit de domeinen zorg, werk,

inkomen, politie en justitie samenwerken. Zij leveren de cliënten aan voor deze voorziening.

Ook de Sociale Dienst maakt deel uit van deze voorziening. De Sociale dienst beheert voor

ca. 300 cliënten de uitkering en/of verstrekt bijstand in natura in de vorm van het regelen

van slaapplaatsen. Door de geïntegreerde aanpak door verschillende organisties worden

drugsverslaafde cliënten beter bereikt. Op deze wijze is het naar verwachting mogelijk

cliënten daadwerkelijk gebruik te laten maken van aangewezen hulp c.q. onderdak. De

bedoeling is dat het aantal cliënten van de Sociale Dienst dat gebruikt maakt van de

Geïntegreerde Voorziening stijgt tot 500 cliënten op jaarbasis.

Bron GGGD Amsterdam

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde biedt

gemeenten ook mogelijkheden om meer assertief op te treden naar overlastgevende

zorgmijders. Zij kunnen regels stellen en op overtreding daarvan straf stellen. Een voorbeeld

is de strafbaarstelling van bedelarij. Rotterdam is voor zover bekend de enige gemeente die

van deze mogelijkheid gebruik maakt. De model-APV van de VNG bevat geen modelbepaling

over deze onderwerpen. Bij gemeenten lijkt hier geen behoefte aan te bestaan. Wanneer het

niet gelukt is dat al of niet onder drang zorgmijders vrijwillig hulp accepteren, resteert de

4 Opsomming ontleend aan rapport Boer&Croon over Veelplegers.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

5

Kenmerk

GVM 2544696

optie van dwangopname en –behandeling. De mogelijkheden daarvoor zijn beperkt, maar

worden niet volledig benut. Dat laatste heeft vooral te maken met verschillende

interpretaties van begrippen uit de Wet Bopz. Deze wet ziet toe op gedwongen opnemingen

van onder andere psychiatrische patiënten in psychiatrische instellingen als er sprake is van

een gevaarssituatie voor de persoon zelf of voor diens omgeving die wordt veroorzaakt door

een geestesstoornis. De praktijk leert dat vooral bij de hulpverlening onduidelijkheid bestaat

of ernstige verslaving een geestesstoornis is in de zin van de Wet Bopz. Ook de toepassing

van het gevaarscriterium laat verscheidenheid zien. Er zijn voorbeelden waarin rechters het

gevaarscriterium heel nauw hanteren. Ook psychiaters doen dat en zien dan af van een gang

naar de rechter. Anderzijds komen rechters en psychiaters in hun uitleg van het

gevaarscriterium dicht bij het bestwil-criterium. Sommige psychiaters zijn aarzelend over een

dwangopneming als zij twijfelen aan de mogelijkheid van behandeling. Andere psychiaters

vinden dat de drempel voor dwangbehandeling te hoog is: “als er makkelijker onder dwang

kan worden behandeld, kun je mensen snel van straat halen en hoef je ze ook niet zo lang

hun vrijheid te benemen”. Deze psychiaters vinden dat zij nu met de handen op de rug

moeten toekijken omdat ze niet onder dwang mogen behandelen.

3 Uitgangspunten

Een verbetering van de zorg aan mensen aan de rand van de samenleving komt de kwaliteit

van hun leven ten goede. Daardoor zal bovendien de overlast die deze mensen veroorzaken

verminderen. Het perspectief om beleid te ontwikkelen voor deze groep kan niet òf overlast

òf zorg zijn. Het gaat om een tweevoudig perspectief: door het bieden van adequate zorg en

een verbetering van de kwaliteit van leven vermindert de overlast.

Overlastgevende zorgmijders moeten de hulp krijgen die zij nodig hebben om een verdere

teloorgang en de overlast die daarmee gepaard gaat te voorkomen. Dat begint bij de directe

omgeving die de teloorgang moet signaleren bij gemeentelijke of zorginstellingen. Bij

gemeenten ligt ook de beleidsverantwoordelijkheid om te voorkomen dat mensen tot deze

doelgroep gaan behoren.

Vervolgens vraagt dat een persoonsgerichte aanpak omdat het algemene beleid onvoldoende

effectief is voor deze doelgroep. Zonodig wordt deze hulp afgedwongen, hetzij bij de cliënt,

hetzij bij de betrokken instellingen. Gemeenten regisseren een optimale keten van zorg- en

dienstverlening voor deze groep.

Om deze situatie te bereiken moeten drie dingen verbeteren.

In de eerste plaats moet deze groep meer dan nu op de huid gezeten worden om hulp te

accepteren. Intensieve drang moet worden uitgeoefend om iemand hulp te laten accepteren.

Ten tweede moet als dat niet lukt, het in specifieke situaties gemakkelijker worden om

mensen onder dwang te helpen. Het recht op zorg (de noodzaak van zorg) en het belang van

de samenleving kunnen zwaarder wegen dan het recht op zelfbeschikking van mensen als zij

door hun verslaving of stoornis maatschappelijk teloor dreigen te gaan. Dat rechtvaardigt

(onorthodoxe) maatregelen met meer accent op drang en – als het niet anders kan – op

dwang. Dwang blijft een ultimum remedium. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot

dwangopname. Als dat nodig is, moet er onder dwang behandeld kunnen worden, mits

duidelijk is waarvoor en onder waarborgen.

In de derde plaats is het nodig dat de samenwerking tussen instellingen minder vrijblijvend

wordt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

6

Kenmerk

GVM 2544696

Op basis van een cliëntvolgsysteem zijn instellingen altijd op de hoogte van het

hulpverleningstraject. Als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld in een crisissituatie moet

de medewerking van een instelling door een gemeente afgedwongen kunnen worden.

Het voorliggende plan is erop gericht om de hiervoor geschetste verbeteringen te realiseren.

Dat wil zeggen dat overlastgevende zorgmijders eerder en beter dan nu geholpen worden.

Met dit programma wil het kabinet bereiken dat in 2007 daarvoor de voorwaarden aanwezig

zijn.

Zoals gezegd, overlast, criminaliteit door verslaafden en dealers zullen als gevolg van

opvang en verbetering van leefomstandigheden afnemen. Ze zullen niet volledig verdwijnen.

Het gaat het om het beheersbaar maken van dit vraagstuk.

4 Doelstellingen en maatregelen

Het kabinet heeft voor 2007 de volgende doelstellingen geformuleerd:

􀂃 De mogelijkheden voor drang op cliënten om hulp te accepteren zijn vergroot

􀂃 De ketensamenwerking tussen instellingen is minder vrijblijvend gemaakt

􀂃 Het gebruik van de Wet Bopz voor deze doelgroep is verbeterd

Op dit moment vindt al het nodige plaats om deze drie doelstellingen te realiseren. In

aanvulling daarop zijn maatregelen nodig om te zorgen dat die doelen daadwerkelijk

gerealiseerd worden. Het gaat dan vooral om maatregelen die tegemoet komen aan wat

iemand nodig heeft om weer enigszins gewoon in onze samenleving mee te doen.

4.1 Verruimen van drang op cliënten om ondersteuning en hulp te accepteren

Het kabinet wil dat er meer zorgmijders hulp gaan aanvaarden dan nu het geval is. Daarvoor

is nodig dat de zorg assertiever wordt aangeboden en dat het aanbod beter aansluit op de

behoefte van de doelgroep.

Ontwikkelen van een verbeterd assertief zorgaanbod

Bemoeizorg: GGZ voor veiligheid

De GGZ wil mensen met ernstige psychische stoornissen die de zorg mijden, in zorg krijgen

en houden. Bij deze ambitie hebben vele partijen belang, vooral op lokaal niveau. Denk

bijvoorbeeld aan gemeenten en politie. Daarom moeten GGZ-instellingen concrete en

wederzijds verplichtende afspraken maken met lokale partijen. De GGZ draagt op deze

manier bij aan een veiliger samenleving voor iedereen: patiënt en burger. Daarnaast zorgt de

GGZ voor voldoende beveiligde bedden voor specifieke doelgroepen. Zo komen er beveiligde

bedden voor patiënten met een psychische stoornis en gedragsproblemen, voor patiënten

die een delict gepleegd hebben en voor ernstig verslaafde patiënten die heroïne krijgen.

Uit Visiedocument GGZ Nederland , november 2004

Er is een meer assertieve benadering nodig om meer zorgmijders hulp te laten aanvaarden.

Het kabinet juicht daarom toe dat in de steden steeds meer bemoeizorg plaatsvindt. De

ambitie van de GGZ-sector om in 2009 alle zorgmijders in beeld hebben en de helft daarvan

in behandeling zal ongetwijfeld daarop een positief effect hebben. Het kabinet onderschrijft

deze ambitie, maar wil ook met de sector afspraken maken wat hiervan al in 2007

gerealiseerd is.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

7

Kenmerk

GVM 2544696

Een goed voorbeeld overigens van het assertief aanbieden van zorg is de toepassing van

Assertive Community Treatment (ACT). Verschillende ggz-instellingen in Nederland passen

deze methodiek met succes toe.

Een andere mogelijkheid om drang uit te oefenen biedt de dit jaar in werking getreden Wet

werk en bijstand (Wwb). Deze wet biedt gemeenten instrumenten om de bijstandsverlening

in te zetten om bijvoorbeeld zorgmijders te verleiden om hulp te accepteren. Ik verwijs

hierbij naar het eerder beschreven experiment in Amsterdam-Zuidoost.

Een specifieke groep waarop steden drang willen uitoefenen zijn verslaafden die uit de eigen

stad afkomstig zijn. Om hun overlast te verminderen ontwikkelt een aantal steden (Utrecht,

Heerlen, Rotterdam) een beleid om ze terug te leiden naar hun oorspronkelijke zorg- en

sociale netwerk. Dit beleid is mede ingegeven door de aanpak in Zwitserland van de overlast

van harddrugsverslaafden. Strikt genomen is dit beleid op dit moment in strijd met de

landelijke toegankelijkheid van voorzieningen voor maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid. Het kabinet is bereid om de eis van landelijke toegankelijkheid te beperken

tot de crisisopvang (inclusief de vrouwenopvang). Deze beperking draagt bij aan het

verminderen van de druk op de grote steden. Genoemde voorzieningen vallen vanaf 2006

onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In het wetsvoorstel dat het kabinet

volgend voorjaar naar de Kamer zal sturen zal deze beperking worden opgenomen.

Ontwikkelen van een aanbod dat beter aansluit op behoefte doelgroep

Niet alleen de benadering van de zorgmijders behoeft verbetering, ook het aanbod zelf moet

meer aansluiten op de behoeften van deze groep. Want onder deze groep van zorgmijders

bevinden zich vooral in de vier grote steden mensen die niet meer vatbaar lijken voor

behandeling. Het gaat dan vooral om chronisch verslaafden voor wie, ook al zijn ze

opgenomen – al dan niet onder dwang – , weinig mogelijkheden voor behandeling zijn. Zij

zullen niet afkicken. Deze groep heeft behoefte aan voorzieningen, mogelijk zelfs buiten de

stad, waar zij zonder verplichting tot behandeling kunnen verblijven. Het moet daar ook

mogelijk zijn om onder voorwaarden te gebruiken. Zij krijgen daar onderdak en een zinvolle

dagbesteding. Het kabinet wil met steden nader bezien onder welke voorwaarden een

dergelijke voorziening tot stand kan komen. Het uitgangspunt is een vrijwillig verblijf.

Mogelijk kan hier een verbinding gelegd worden met de brede pilot die de minister van

Justitie van plan is met het ‘Doe normaal contract’. Een dergelijk contract kan eraan

bijdragen dat het verblijf in een dergelijke voorziening niet vrijblijvend is.

Een andere mogelijkheid om het aanbod beter te laten aansluiten bij de behoefte van de

doelgroep biedt de verruiming van de heroïnebehandeling. De Tweede Kamer heeft

ingestemd met de uitbreiding van de heroïnebehandeling van 300 naar maximaal 1000

plaatsen, verdeeld over 15 behandeleenheden verspreid over Nederland. Nu zijn er zes

eenheden. De behandeling blijft bestemd voor ernstig zieke, chronisch heroïneverslaafden

die geen baat hadden bij methadonbehandeling alleen. BZK heeft € 1 mln. per jaar (voor een

periode van 3 jaar) beschikbaar gesteld voor de nieuwe behandeleenheden.

4.2 De ketensamenwerking tussen instellingen wordt minder vrijblijvend

De problemen van overlastgevende zorgmijders liggen op verschillende terreinen. Voor een

effectieve aanpak is een goede samenwerking tussen ketenpartners vereist. Dat vraagt om

sterke regiefunctie van de gemeente. Ook kan de samenwerking verbeterd worden als de

gegevensuitwisseling goed verloopt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

8

Kenmerk

GVM 2544696

Vergroten van gemeentelijke zeggenschap over aanbod ggz-instellingen

De gemeentelijke regierol kan versterkt worden als gemeenten meer zeggenschap krijgen

over de GGZ. In de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) is vastgelegd dat de

gemeenteraad zorg moet dragen voor het bevorderen van openbare geestelijke

gezondheidszorg (OGGZ). Daaronder wordt o.a. verstaan het bereiken en begeleiden van

kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis

of dreiging van crisis bij kwetsbare groepen en risicogroepen en het tot stand brengen van

afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de OGGZ. In veel

gemeenten bestaan op vrijwillige basis OGGZ-convenanten, zoals het hiervoor beschreven

Schakelstation. Maar gemeenten missen de zeggenschap om aanbod van GGZ-instellingen in

te kopen. Het kabinet wil de gemeenten die invloed geven. Daarom heeft het kabinet

besloten de middelen voor de OGGZ over te hevelen van de AWBZ naar gemeenten.

Overheveling sluit ook aan bij het voornemen de OGGZ-subsidieregeling onder te brengen in

de WMO.5

Bij de uitwerking hecht het kabinet er zeer aan dat de over te hevelen middelen ingezet

worden voor deze doelgroep zodat de overheveling bijdraagt aan het doel dat meer

zorgmijders hulp accepteren. Het kabinet wil dat gemeenten hun verantwoordelijkheid

nemen en prestatieafspraken maken met de aanbieders van zorg, bijvoorbeeld over het

aantal overlastgevende zorgmijders dat hulp aanvaardt en van wie de overlast vermindert.

In dit verband wil ik in twee gemeenten in het kader van de WMO proeftuinen starten die

gericht zijn op een betere ketenzorg voor overlastgevende zorgmijders, waarbij de

geselecteerde gemeenten zich toeleggen op een gekwantificeerde ambitie.

Het kabinet wil voor 1 april 2005 de Kamer informeren over de precieze uitwerking van deze

overheveling. Gemeenten zullen betrokken worden bij de uitwerking.

De voorgestelde overheveling versterkt de regiefunctie van gemeenten. Daarnaast wordt

bezien of het ‘Doe normaal-contract’ voor deze doelgroep mogelijkheden biedt. Bij de

voorbereiding van dit plan is ook gekeken naar andere opties om het bestuurlijk

instrumentarium te vergroten. Voor een model-APV overlast lijkt geen draagvlak te bestaan.

Hierover blijft het kabinet in overleg met gemeenten.

Nazorg na detentie

De hiervoor genoemde overheveling van GGZ-middelen naar gemeenten stelt gemeenten ook

beter in staat om de nazorg na detentie te regisseren. Voor de overige maatregelen die

getroffen zijn om de aansluiting van detentie en opvang en verdere nazorg te verbeteren

verwijs ik naar de onlangs uitgebrachte voortgangrapportage over de uitvoering van het

kabinetsstandpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt en de brief van

de minister van Justitie over nazorg voor ex-gedetineerden.6

Voorwaarden scheppen waardoor privacy geen excuus meer kan zijn

Gegevensuitwisseling is nodig voor een goede ketensamenwerking. VWS ondersteunt de

totstandkoming en de implementatie van een checklist ‘Omgaan met persoonsgegevens in

het kader van bemoeizorg’. De checklist beschrijft de doelgroep en het doel van de

gegevensuitwisseling.

5 Kamerstukken II, 2003-20045, 29538, nr.1

6 Kamerstukken II, 2004-2005, 27 834, nr. 36

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

9

Kenmerk

GVM 2544696

Deze checklist is het resultaat van een gezamenlijke actie van GGZ Nederland, GGD

Nederland en de KNMG. De checklist wordt over enkele maanden in een invitational

conference gepresenteerd. Daarna kan de checklist in het gehele land gebruikt worden.

VWS zal de een ruime verspreiding ervan mogelijk maken.

Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden een beroep doen op (producten van) de

Helpdesk privacy van Justitie. De afgelopen jaren heeft deze Helpdesk al een Handreiking

uitgebracht voor gemeenten over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie en een

Modelconvenant over de gegegevensuitwisseling tussen partijen betrokken bij het

criminaliteitspreventiebeleid in gemeenten.

VWS zal tenslotte de IGZ vragen advies uit brengen over de vraag of het privacyvraagstuk

op het onderhavige terrein hiermee van voldoende instrumenten is voorzien of dat nog

aanvullende maatregelen nodig zijn.

4.3 Het gebruik van de Wet Bopz verbeteren

In het kabinetsstandpunt Wet Bopz heeft het kabinet geconcludeerd dat de praktijk nog

onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden van deze wet voor deze doelgroep.7

Richtlijnen met betrekking tot centrale begrippen in de Wet Bopz moeten ertoe leiden dat in

de praktijk beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu al biedt.

Daarom heeft de minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor psychiatrie (NVvP)

opdracht gegeven om, in samenwerking met de departementen van Justitie en VWS, de

rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en gemeenten, aan te geven in welke gevallen

en situaties de Wet Bopz voorziet in de mogelijkheid tot dwangopname, van onder meer

ernstig verslaafden. Deze richtlijn is in het voorjaar van 2005 beschikbaar.

In hetzelfde standpunt heeft het kabinet ook aangekondigd de wet aan te passen om de

mogelijkheden tot dwangbehandeling binnen de instelling te verruimen. Het kabinet is

voornemens binnen enkele maanden de contouren van de daartoe noodzakelijke

wetswijziging te formuleren en deze ter consultatie voor te leggen aan de instellingen die

daarvoor als gebruikelijk in aanmerking komen.

In aanvulling op deze maatregelen wil het kabinet de meerwaarde onderzoeken van een

nazorg onder toezicht-register, zoals dat door Rotterdam en andere steden bepleit wordt.

Hiermee willen zij voorkomen dat iemand na het ontslag uit het psychiatrische ziekenhuis

aan zijn lot wordt overgelaten. Er zouden voorwaarden aan het ontslag gesteld worden.

Ontslag is alleen mogelijk als er nazorg geregeld is; de patiënt moet zich houden aan

afspraken, anders volgt een nieuwe dwangopname; nazorginstellingen moeten zich ook

houden aan de afspraken.

Mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en

Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

drs. Clémence Ross-van Dorp

7 Kamerstukken II, 2003-2004, 25673 en 28950, nr. 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Postbus 20350

2500 EJ DEN HAAG

Telefoon (070) 340 79 11
Fax (070) 340 78 34

Bezoekadres:

Parnassusplein 5

2511 VX DEN HAAG

Correspondentie uitsluitend

richten aan het postadres

met vermelding van de

datum en het kenmerk van

deze brief

Internetadres:

www.minvws.nl

De Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

Ons kenmerk Inlichtingen bij Doorkiesnummer Den Haag

GVM 2544696

Onderwerp Bijlage(n) Uw brief

Plan van aanpak

verloedering en overlast 2005-2007

1 Inleiding

In het standpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt heeft het kabinet

toegezegd zich te bezinnen op de vraag of in de keten van maatschappelijke opvang meer

dwang toegepast zou moeten worden.1 Het voorliggende Plan van aanpak verloedering en

overlast is het resultaat daarvan.

De aanpak van verloedering en overlast is voor dit kabinet ook in het kader van normen en

waarden een belangrijk onderwerp. Binnen verschillende beleidsdomeinen

(criminaliteitspreventie, veiligheidsbeleid, gezondheidszorg) is er een groep mensen in beeld

die onevenredig veel aandacht vraagt van lokale instanties (wonen, welzijn en politie) en

overlast bij medeburgers veroorzaakt. Die overlast vindt zijn oorzaak in psychische

problemen, verslavingsproblemen en dakloosheid. Desondanks mijden ze vaak de zorg. Maar

het past onze samenleving niet om deze mensen aan hun lot over te laten. Het kabinet wil

ook deze mensen in staat stellen zo volwaardig en zelfstandig mogelijk deel te nemen aan

de samenleving. Daarvoor doet het een beroep op de verantwoordelijkheid van deze burgers

én op de verantwoordelijkheid van instellingen om deze groep burgers niet aan hun lot over

te laten.

Het kabinet onderscheidt in zijn beleid drie groepen overlastgevenden:

1. De veelplegers, die niet alleen overlast veroorzaken, maar ook veel misdrijven plegen.

Vaak is er een relatie met alcohol en/of drugsverslaving. De Wet plaatsing in een

inrichting voor stelselmatige daders, die op 1 oktober 2004 in werking is getreden, biedt

mogelijkheden hiertegen effectief op te treden.

2. Overlastgevende zorgmijders die overlast veroorzaken waarbij een (oorzakelijke) relatie is

met ernstige psychische en verslavingsproblemen en dakloosheid.

3. Overlastgevenden van wie het gedrag als asociaal bestempeld wordt. Over de aanpak

van deze groep heeft de minister van Justitie u onlangs een brief gestuurd.2

1 Kamerstukken II, 2003-2004, 29325, nr.1

2 Kamerstukken II, 2004-2005, 28684, nr.39

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

2

Kenmerk

GVM 2544696

Het voorliggende plan van aanpak heeft betrekking op de overlastgevende zorgmijders. Dat

laat onverlet dat de aanpak van de overlast van de andere twee groepen positieve effecten

heeft op deze groep.

Bij de voorbereiding van dit plan van aanpak heeft overleg met gemeenten, zorginstellingen

en justitiële instellingen plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat dit plan ook tegemoet komt

aan wensen van deze partijen voor een effectievere aanpak van dit vraagstuk. Zij ervaren

vooral de voorstellen over het overhevelen van de OGGZ-middelen naar gemeenten en de

voorstellen waardoor de Wet Bopz beter gebruikt kan worden als een doorbraak. Het plan

speelt in op de vele initiatieven die voor deze groep al ondernomen worden. Daarom bevat

deze brief ook ‘good practices’ waarvan ik hoop dat daarvan een voorbeeldwerking uitgaat.

De in dit plan aangekondigde acties zullen in het stramien van het programma ‘Naar een

veiliger samenleving’uitgewerkt worden en dientengevolge bijdragen aan de doelstelling van

dat programma3. Over de voortgang van dit plan rapporteert het kabinet via de tussentijdse

rapportages. De eerstvolgende verschijnt in mei 2005.

2 Probleemanalyse

2.1 Kwantitatieve en kwaltitatieve analyse van de doelgroep: overlastgevende zorgmijders

Nederland

15.200 dak- en thuislozen in 2001 (schatting in Zwerven in de 21e eeuw, 2003); andere

schattingen zijn beduidend hoger

4839 rechterlijke machtigingen en 6861 inbewaringstellingen GGZ in 2002, gemeld bij IGZ

8000 mensen met ernstige psychiatrische problemen die geen contact hebben met de

hulpverlening en waarbij sprake is van geregeld optredende acute nood, bijvoorbeeld door

verergering van ziekteverschijnselen, zoals wanen en hallucinaties, al dan niet in combinatie

met verslavingsproblemen (Advies Gezondheidsraad, Zorg voor niet-opgenomen acute

psychiatrische patiënten, 2004)

Amsterdam

4000 dak- en thuislozen (schatting van gemeente gebaseerd op gemiddeld 2000 dak- en

thuislozen per dag)

4200 harddrugsverslaafden, waarvan 1500 problematisch

Den Haag

788-1275 daklozen (Trimbos-rapport 2001)

Rotterdam

4600 dak- en thuislozen

3000 problematisch verslaafden

700 personen die extreme overlast bezorgen, crimineel gedrag vertonen, mogelijk verslaafd

zijn en/of psychiatrische problemen hebben en vaak dak- en thuisloos zijn (schatting)

Utrecht

500 overlastgevende zorgmijders

800-1000 daklozen (schatting in Zorg op straat 1)

1500 verkommerden en verloederden

3 In de periode 2008-2010 moet het Veiligheidsprogramma leiden tot een reductie van criminaliteit en

overlast in de publieke ruimte met 20 tot 25%. Die reductie moet in 2006 in de probleemwijken in de

grote steden reeds in 2006 (meting 2007) waarneembaar zijn.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

3

Kenmerk

GVM 2544696

De groep zorgmijders is moeilijk in kaart te brengen. Als individu zijn ze bekend bij politie en

hulpverlening. Maar specifieke cijfers over deze doelgroep ontbreken. De betrouwbaarheid

en vergelijkbaarheid van de cijfers laat nog veel te wensen over. Bovenstaand kader bevat

enkele landelijke cijfers die vooral gebaseerd zijn op schattingen, aangevuld met cijfers van

de G4.

De doelgroep bestaat uit een vooral op straat zichtbare groep mensen die niet de hulp (wil)

krijgen die zij nodig heeft. Daardoor dreigt voor hen maatschappelijke teloorgang. De

belangrijkste oorzaken daarvoor zijn verslaving aan drugs of alcohol, psychische en

persoonlijkheidsstoornissen.

De verloedering gaat in een aantal gevallen samen met overlastgevend gedrag. De strafbare

feiten die hiermee gepaard gaan, leveren hooguit korte vrijheidsstraffen op. Ze zijn in veel

gevallen te licht voor toepassing van de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor

Stelselmatige Daders (voor veelplegers). Het strafrecht is niet het geschikte middel om

overlast te bestrijden.

2.2 Huidig instrumentarium: er kan meer, maar er zijn leemten

De oorzaken waarom weinig overlastgevende zorgmijders de zorg en ondersteuning krijgen

die zij nodig hebben, zijn hun eigen gedrag, de ontoegankelijkheid van het zorgaanbod,

ontoereikend (gebruik van) het bestuurlijk-juridisch instrumentarium op lokaal niveau en het

onvoldoende toepassen van de wet Bopz.

Zorgmijders onttrekken zich aan de hulpverlening, omdat zij bijvoorbeeld weten dat zij vaak

met hun drugsgebruik moeten stoppen als ze in een instelling willen blijven. Maar het kan

ook het gevolg zijn van slechte ervaringen, bijvoorbeeld omdat ze ooit onder dwang zijn

opgenomen. Ze hebben een wantrouwen gekregen jegens mensen die hen willen helpen.

Schakelstation Zuid-Kennemerland

Het doel van de ketensamenwerking is de kwaliteit van leven van sociaal kwetsbare mensen

met zorgmijdend gedrag én hun omgeving te verbeteren. Inzet op het verminderen van de

overlast voor de samenleving en de cliënt zelf is daarmee ook een samenwerkingsdoel.

De ondertekening op 23 september jl. van een ketensamenwerkingsovereenkomst gericht op

kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag vormde de start van het Schakelstation: een

centraal meld- en coördinatie(regie)punt bij de GGD waar kwetsbare mensen worden

aangemeld, geregistreerd, aan een mentor gekoppeld en blijvend worden gevolgd. De

mentoren zijn afkomstig van elf ketenpartners.

Deze missie realiseren de ketenpartners door meer dan voorheen op assertieve wijze te

blijven zoeken naar een passend aanbod: durven doen. Door daadwerkelijk vorm te geven

aan het integrale karakter van het aanbod: samen werken en door alleen afspraken te maken

die nagekomen kunnen worden en deze uitvoeren: doen wat je zegt.

Bron: Kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag in Zuid-Kennemerland

Wanneer zorgmijders toch hulp zoeken zijn er voor hen hoge drempels. Want de regels en

methoden die instanties (moeten) hanteren sluiten nauwelijks aan bij de dagelijkse realiteit

van zorgmijders. Ze hebben geen adres, telefoon, agenda, geld en officiële documenten.

Ook hanteren instellingen op therapeutische gronden contra-indicaties op grond waarvan

een opname geweigerd kan worden. Dan gaat het bijvoorbeeld om verslaving.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

4

Kenmerk

GVM 2544696

Gelukkig ontwikkelen steeds meer zorginstellingen vormen van bemoeizorg. Het gaat vaak

om een combinatie van psychiatrische zorg, praktische hulp en het bieden van onderdak,

veiligheid en voedsel. Doel is contact leggen en houden, patiënten praktisch begeleiden en

zo mogelijk behandelen. Maar de financiering vindt vaak plaats op projectbasis. Dat betekent

dat instellingen het aanbod wel opstarten, maar dit stopzetten als de geldstroom wegvalt.

Ook ondervinden instellingen problemen om voor bemoeizorg kenmerkende activiteiten als

cliëntfinding, veelvuldige contacten met het netwerk en ‘no show-contacten’ gedeclareerd

te krijgen.

De samenwerking tussen instellingen is te vrijblijvend. Dit wordt onder meer veroorzaakt

door versnippering van de hulpverlening en financieringsstromen, (vermeende)

belemmeringen in privacy-wetgeving, verschillen in definities en informatieregimes,

capaciteitsproblemen (sancties/zorg), niet-sluitende overdracht en gebrek aan

ketenmanagement en –regie.4 Wel is de vraag gewettigd of instellingen zich niet achter deze

argumenten verschuilen. Bovenstaand voorbeeld laat zien dat er veel kan. Er zijn meer van

deze voorbeelden, maar de basis van die samenwerking is wel vrijwillig. Vooral gemeenten

willen daarom meer zeggenschap over het aanbod van de GGZ en de verslavingszorg. Zij

denken dan beter in staat te zijn regie te voeren over de ketenpartners rondom deze

doelgroep. De indruk bestaat wel dat gemeenten meer dan nu hun eigen aanbod op het

terrein van huisvesting, dagbesteding, schuldhulpverlening en arbeidsreïntegratie kunnen

benutten voor een meer assertieve aanpak van deze groep. Onderstaand voorbeeld van de

gezamenlijke aanpak in Amsterdam Zuidoost illustreert dat.

Geïntegreerde Voorziening Drugshulpverlening Amsterdam Zuidoost

Het totaal aantal drugsverslaafden in Zuidoost wordt, op kwartaalbasis, geschat op 900

personen. Het gaat voor ca. 80% om mannen van Surinaams/ Nederlands Antilliaanse

origine, ouder dan 40 jaar. De verslavingsduur is meer dan twintig jaar. Het aantal

drugsverslaafden dat geen gebruik maakt van hulpverlening en uitkeringsrechten is

aanzienlijk. Om hierin verandering aan te brengen heeft Amsterdam een geïntegreerde

voorziening tot stand gebracht waarin de ketenpartners uit de domeinen zorg, werk,

inkomen, politie en justitie samenwerken. Zij leveren de cliënten aan voor deze voorziening.

Ook de Sociale Dienst maakt deel uit van deze voorziening. De Sociale dienst beheert voor

ca. 300 cliënten de uitkering en/of verstrekt bijstand in natura in de vorm van het regelen

van slaapplaatsen. Door de geïntegreerde aanpak door verschillende organisties worden

drugsverslaafde cliënten beter bereikt. Op deze wijze is het naar verwachting mogelijk

cliënten daadwerkelijk gebruik te laten maken van aangewezen hulp c.q. onderdak. De

bedoeling is dat het aantal cliënten van de Sociale Dienst dat gebruikt maakt van de

Geïntegreerde Voorziening stijgt tot 500 cliënten op jaarbasis.

Bron GGGD Amsterdam

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde biedt

gemeenten ook mogelijkheden om meer assertief op te treden naar overlastgevende

zorgmijders. Zij kunnen regels stellen en op overtreding daarvan straf stellen. Een voorbeeld

is de strafbaarstelling van bedelarij. Rotterdam is voor zover bekend de enige gemeente die

van deze mogelijkheid gebruik maakt. De model-APV van de VNG bevat geen modelbepaling

over deze onderwerpen. Bij gemeenten lijkt hier geen behoefte aan te bestaan. Wanneer het

niet gelukt is dat al of niet onder drang zorgmijders vrijwillig hulp accepteren, resteert de

4 Opsomming ontleend aan rapport Boer&Croon over Veelplegers.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

5

Kenmerk

GVM 2544696

optie van dwangopname en –behandeling. De mogelijkheden daarvoor zijn beperkt, maar

worden niet volledig benut. Dat laatste heeft vooral te maken met verschillende

interpretaties van begrippen uit de Wet Bopz. Deze wet ziet toe op gedwongen opnemingen

van onder andere psychiatrische patiënten in psychiatrische instellingen als er sprake is van

een gevaarssituatie voor de persoon zelf of voor diens omgeving die wordt veroorzaakt door

een geestesstoornis. De praktijk leert dat vooral bij de hulpverlening onduidelijkheid bestaat

of ernstige verslaving een geestesstoornis is in de zin van de Wet Bopz. Ook de toepassing

van het gevaarscriterium laat verscheidenheid zien. Er zijn voorbeelden waarin rechters het

gevaarscriterium heel nauw hanteren. Ook psychiaters doen dat en zien dan af van een gang

naar de rechter. Anderzijds komen rechters en psychiaters in hun uitleg van het

gevaarscriterium dicht bij het bestwil-criterium. Sommige psychiaters zijn aarzelend over een

dwangopneming als zij twijfelen aan de mogelijkheid van behandeling. Andere psychiaters

vinden dat de drempel voor dwangbehandeling te hoog is: “als er makkelijker onder dwang

kan worden behandeld, kun je mensen snel van straat halen en hoef je ze ook niet zo lang

hun vrijheid te benemen”. Deze psychiaters vinden dat zij nu met de handen op de rug

moeten toekijken omdat ze niet onder dwang mogen behandelen.

3 Uitgangspunten

Een verbetering van de zorg aan mensen aan de rand van de samenleving komt de kwaliteit

van hun leven ten goede. Daardoor zal bovendien de overlast die deze mensen veroorzaken

verminderen. Het perspectief om beleid te ontwikkelen voor deze groep kan niet òf overlast

òf zorg zijn. Het gaat om een tweevoudig perspectief: door het bieden van adequate zorg en

een verbetering van de kwaliteit van leven vermindert de overlast.

Overlastgevende zorgmijders moeten de hulp krijgen die zij nodig hebben om een verdere

teloorgang en de overlast die daarmee gepaard gaat te voorkomen. Dat begint bij de directe

omgeving die de teloorgang moet signaleren bij gemeentelijke of zorginstellingen. Bij

gemeenten ligt ook de beleidsverantwoordelijkheid om te voorkomen dat mensen tot deze

doelgroep gaan behoren.

Vervolgens vraagt dat een persoonsgerichte aanpak omdat het algemene beleid onvoldoende

effectief is voor deze doelgroep. Zonodig wordt deze hulp afgedwongen, hetzij bij de cliënt,

hetzij bij de betrokken instellingen. Gemeenten regisseren een optimale keten van zorg- en

dienstverlening voor deze groep.

Om deze situatie te bereiken moeten drie dingen verbeteren.

In de eerste plaats moet deze groep meer dan nu op de huid gezeten worden om hulp te

accepteren. Intensieve drang moet worden uitgeoefend om iemand hulp te laten accepteren.

Ten tweede moet als dat niet lukt, het in specifieke situaties gemakkelijker worden om

mensen onder dwang te helpen. Het recht op zorg (de noodzaak van zorg) en het belang van

de samenleving kunnen zwaarder wegen dan het recht op zelfbeschikking van mensen als zij

door hun verslaving of stoornis maatschappelijk teloor dreigen te gaan. Dat rechtvaardigt

(onorthodoxe) maatregelen met meer accent op drang en – als het niet anders kan – op

dwang. Dwang blijft een ultimum remedium. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot

dwangopname. Als dat nodig is, moet er onder dwang behandeld kunnen worden, mits

duidelijk is waarvoor en onder waarborgen.

In de derde plaats is het nodig dat de samenwerking tussen instellingen minder vrijblijvend

wordt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

6

Kenmerk

GVM 2544696

Op basis van een cliëntvolgsysteem zijn instellingen altijd op de hoogte van het

hulpverleningstraject. Als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld in een crisissituatie moet

de medewerking van een instelling door een gemeente afgedwongen kunnen worden.

Het voorliggende plan is erop gericht om de hiervoor geschetste verbeteringen te realiseren.

Dat wil zeggen dat overlastgevende zorgmijders eerder en beter dan nu geholpen worden.

Met dit programma wil het kabinet bereiken dat in 2007 daarvoor de voorwaarden aanwezig

zijn.

Zoals gezegd, overlast, criminaliteit door verslaafden en dealers zullen als gevolg van

opvang en verbetering van leefomstandigheden afnemen. Ze zullen niet volledig verdwijnen.

Het gaat het om het beheersbaar maken van dit vraagstuk.

4 Doelstellingen en maatregelen

Het kabinet heeft voor 2007 de volgende doelstellingen geformuleerd:

􀂃 De mogelijkheden voor drang op cliënten om hulp te accepteren zijn vergroot

􀂃 De ketensamenwerking tussen instellingen is minder vrijblijvend gemaakt

􀂃 Het gebruik van de Wet Bopz voor deze doelgroep is verbeterd

Op dit moment vindt al het nodige plaats om deze drie doelstellingen te realiseren. In

aanvulling daarop zijn maatregelen nodig om te zorgen dat die doelen daadwerkelijk

gerealiseerd worden. Het gaat dan vooral om maatregelen die tegemoet komen aan wat

iemand nodig heeft om weer enigszins gewoon in onze samenleving mee te doen.

4.1 Verruimen van drang op cliënten om ondersteuning en hulp te accepteren

Het kabinet wil dat er meer zorgmijders hulp gaan aanvaarden dan nu het geval is. Daarvoor

is nodig dat de zorg assertiever wordt aangeboden en dat het aanbod beter aansluit op de

behoefte van de doelgroep.

Ontwikkelen van een verbeterd assertief zorgaanbod

Bemoeizorg: GGZ voor veiligheid

De GGZ wil mensen met ernstige psychische stoornissen die de zorg mijden, in zorg krijgen

en houden. Bij deze ambitie hebben vele partijen belang, vooral op lokaal niveau. Denk

bijvoorbeeld aan gemeenten en politie. Daarom moeten GGZ-instellingen concrete en

wederzijds verplichtende afspraken maken met lokale partijen. De GGZ draagt op deze

manier bij aan een veiliger samenleving voor iedereen: patiënt en burger. Daarnaast zorgt de

GGZ voor voldoende beveiligde bedden voor specifieke doelgroepen. Zo komen er beveiligde

bedden voor patiënten met een psychische stoornis en gedragsproblemen, voor patiënten

die een delict gepleegd hebben en voor ernstig verslaafde patiënten die heroïne krijgen.

Uit Visiedocument GGZ Nederland , november 2004

Er is een meer assertieve benadering nodig om meer zorgmijders hulp te laten aanvaarden.

Het kabinet juicht daarom toe dat in de steden steeds meer bemoeizorg plaatsvindt. De

ambitie van de GGZ-sector om in 2009 alle zorgmijders in beeld hebben en de helft daarvan

in behandeling zal ongetwijfeld daarop een positief effect hebben. Het kabinet onderschrijft

deze ambitie, maar wil ook met de sector afspraken maken wat hiervan al in 2007

gerealiseerd is.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

7

Kenmerk

GVM 2544696

Een goed voorbeeld overigens van het assertief aanbieden van zorg is de toepassing van

Assertive Community Treatment (ACT). Verschillende ggz-instellingen in Nederland passen

deze methodiek met succes toe.

Een andere mogelijkheid om drang uit te oefenen biedt de dit jaar in werking getreden Wet

werk en bijstand (Wwb). Deze wet biedt gemeenten instrumenten om de bijstandsverlening

in te zetten om bijvoorbeeld zorgmijders te verleiden om hulp te accepteren. Ik verwijs

hierbij naar het eerder beschreven experiment in Amsterdam-Zuidoost.

Een specifieke groep waarop steden drang willen uitoefenen zijn verslaafden die uit de eigen

stad afkomstig zijn. Om hun overlast te verminderen ontwikkelt een aantal steden (Utrecht,

Heerlen, Rotterdam) een beleid om ze terug te leiden naar hun oorspronkelijke zorg- en

sociale netwerk. Dit beleid is mede ingegeven door de aanpak in Zwitserland van de overlast

van harddrugsverslaafden. Strikt genomen is dit beleid op dit moment in strijd met de

landelijke toegankelijkheid van voorzieningen voor maatschappelijke opvang en

verslavingsbeleid. Het kabinet is bereid om de eis van landelijke toegankelijkheid te beperken

tot de crisisopvang (inclusief de vrouwenopvang). Deze beperking draagt bij aan het

verminderen van de druk op de grote steden. Genoemde voorzieningen vallen vanaf 2006

onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In het wetsvoorstel dat het kabinet

volgend voorjaar naar de Kamer zal sturen zal deze beperking worden opgenomen.

Ontwikkelen van een aanbod dat beter aansluit op behoefte doelgroep

Niet alleen de benadering van de zorgmijders behoeft verbetering, ook het aanbod zelf moet

meer aansluiten op de behoeften van deze groep. Want onder deze groep van zorgmijders

bevinden zich vooral in de vier grote steden mensen die niet meer vatbaar lijken voor

behandeling. Het gaat dan vooral om chronisch verslaafden voor wie, ook al zijn ze

opgenomen – al dan niet onder dwang – , weinig mogelijkheden voor behandeling zijn. Zij

zullen niet afkicken. Deze groep heeft behoefte aan voorzieningen, mogelijk zelfs buiten de

stad, waar zij zonder verplichting tot behandeling kunnen verblijven. Het moet daar ook

mogelijk zijn om onder voorwaarden te gebruiken. Zij krijgen daar onderdak en een zinvolle

dagbesteding. Het kabinet wil met steden nader bezien onder welke voorwaarden een

dergelijke voorziening tot stand kan komen. Het uitgangspunt is een vrijwillig verblijf.

Mogelijk kan hier een verbinding gelegd worden met de brede pilot die de minister van

Justitie van plan is met het ‘Doe normaal contract’. Een dergelijk contract kan eraan

bijdragen dat het verblijf in een dergelijke voorziening niet vrijblijvend is.

Een andere mogelijkheid om het aanbod beter te laten aansluiten bij de behoefte van de

doelgroep biedt de verruiming van de heroïnebehandeling. De Tweede Kamer heeft

ingestemd met de uitbreiding van de heroïnebehandeling van 300 naar maximaal 1000

plaatsen, verdeeld over 15 behandeleenheden verspreid over Nederland. Nu zijn er zes

eenheden. De behandeling blijft bestemd voor ernstig zieke, chronisch heroïneverslaafden

die geen baat hadden bij methadonbehandeling alleen. BZK heeft € 1 mln. per jaar (voor een

periode van 3 jaar) beschikbaar gesteld voor de nieuwe behandeleenheden.

4.2 De ketensamenwerking tussen instellingen wordt minder vrijblijvend

De problemen van overlastgevende zorgmijders liggen op verschillende terreinen. Voor een

effectieve aanpak is een goede samenwerking tussen ketenpartners vereist. Dat vraagt om

sterke regiefunctie van de gemeente. Ook kan de samenwerking verbeterd worden als de

gegevensuitwisseling goed verloopt.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

8

Kenmerk

GVM 2544696

Vergroten van gemeentelijke zeggenschap over aanbod ggz-instellingen

De gemeentelijke regierol kan versterkt worden als gemeenten meer zeggenschap krijgen

over de GGZ. In de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) is vastgelegd dat de

gemeenteraad zorg moet dragen voor het bevorderen van openbare geestelijke

gezondheidszorg (OGGZ). Daaronder wordt o.a. verstaan het bereiken en begeleiden van

kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis

of dreiging van crisis bij kwetsbare groepen en risicogroepen en het tot stand brengen van

afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de OGGZ. In veel

gemeenten bestaan op vrijwillige basis OGGZ-convenanten, zoals het hiervoor beschreven

Schakelstation. Maar gemeenten missen de zeggenschap om aanbod van GGZ-instellingen in

te kopen. Het kabinet wil de gemeenten die invloed geven. Daarom heeft het kabinet

besloten de middelen voor de OGGZ over te hevelen van de AWBZ naar gemeenten.

Overheveling sluit ook aan bij het voornemen de OGGZ-subsidieregeling onder te brengen in

de WMO.5

Bij de uitwerking hecht het kabinet er zeer aan dat de over te hevelen middelen ingezet

worden voor deze doelgroep zodat de overheveling bijdraagt aan het doel dat meer

zorgmijders hulp accepteren. Het kabinet wil dat gemeenten hun verantwoordelijkheid

nemen en prestatieafspraken maken met de aanbieders van zorg, bijvoorbeeld over het

aantal overlastgevende zorgmijders dat hulp aanvaardt en van wie de overlast vermindert.

In dit verband wil ik in twee gemeenten in het kader van de WMO proeftuinen starten die

gericht zijn op een betere ketenzorg voor overlastgevende zorgmijders, waarbij de

geselecteerde gemeenten zich toeleggen op een gekwantificeerde ambitie.

Het kabinet wil voor 1 april 2005 de Kamer informeren over de precieze uitwerking van deze

overheveling. Gemeenten zullen betrokken worden bij de uitwerking.

De voorgestelde overheveling versterkt de regiefunctie van gemeenten. Daarnaast wordt

bezien of het ‘Doe normaal-contract’ voor deze doelgroep mogelijkheden biedt. Bij de

voorbereiding van dit plan is ook gekeken naar andere opties om het bestuurlijk

instrumentarium te vergroten. Voor een model-APV overlast lijkt geen draagvlak te bestaan.

Hierover blijft het kabinet in overleg met gemeenten.

Nazorg na detentie

De hiervoor genoemde overheveling van GGZ-middelen naar gemeenten stelt gemeenten ook

beter in staat om de nazorg na detentie te regisseren. Voor de overige maatregelen die

getroffen zijn om de aansluiting van detentie en opvang en verdere nazorg te verbeteren

verwijs ik naar de onlangs uitgebrachte voortgangrapportage over de uitvoering van het

kabinetsstandpunt op het IBO-rapport De maatschappelijke opvang verstopt en de brief van

de minister van Justitie over nazorg voor ex-gedetineerden.6

Voorwaarden scheppen waardoor privacy geen excuus meer kan zijn

Gegevensuitwisseling is nodig voor een goede ketensamenwerking. VWS ondersteunt de

totstandkoming en de implementatie van een checklist ‘Omgaan met persoonsgegevens in

het kader van bemoeizorg’. De checklist beschrijft de doelgroep en het doel van de

gegevensuitwisseling.

5 Kamerstukken II, 2003-20045, 29538, nr.1

6 Kamerstukken II, 2004-2005, 27 834, nr. 36

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Blad

9

Kenmerk

GVM 2544696

Deze checklist is het resultaat van een gezamenlijke actie van GGZ Nederland, GGD

Nederland en de KNMG. De checklist wordt over enkele maanden in een invitational

conference gepresenteerd. Daarna kan de checklist in het gehele land gebruikt worden.

VWS zal de een ruime verspreiding ervan mogelijk maken.

Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden een beroep doen op (producten van) de

Helpdesk privacy van Justitie. De afgelopen jaren heeft deze Helpdesk al een Handreiking

uitgebracht voor gemeenten over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie en een

Modelconvenant over de gegegevensuitwisseling tussen partijen betrokken bij het

criminaliteitspreventiebeleid in gemeenten.

VWS zal tenslotte de IGZ vragen advies uit brengen over de vraag of het privacyvraagstuk

op het onderhavige terrein hiermee van voldoende instrumenten is voorzien of dat nog

aanvullende maatregelen nodig zijn.

4.3 Het gebruik van de Wet Bopz verbeteren

In het kabinetsstandpunt Wet Bopz heeft het kabinet geconcludeerd dat de praktijk nog

onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden van deze wet voor deze doelgroep.7

Richtlijnen met betrekking tot centrale begrippen in de Wet Bopz moeten ertoe leiden dat in

de praktijk beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu al biedt.

Daarom heeft de minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor psychiatrie (NVvP)

opdracht gegeven om, in samenwerking met de departementen van Justitie en VWS, de

rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en gemeenten, aan te geven in welke gevallen

en situaties de Wet Bopz voorziet in de mogelijkheid tot dwangopname, van onder meer

ernstig verslaafden. Deze richtlijn is in het voorjaar van 2005 beschikbaar.

In hetzelfde standpunt heeft het kabinet ook aangekondigd de wet aan te passen om de

mogelijkheden tot dwangbehandeling binnen de instelling te verruimen. Het kabinet is

voornemens binnen enkele maanden de contouren van de daartoe noodzakelijke

wetswijziging te formuleren en deze ter consultatie voor te leggen aan de instellingen die

daarvoor als gebruikelijk in aanmerking komen.

In aanvulling op deze maatregelen wil het kabinet de meerwaarde onderzoeken van een

nazorg onder toezicht-register, zoals dat door Rotterdam en andere steden bepleit wordt.

Hiermee willen zij voorkomen dat iemand na het ontslag uit het psychiatrische ziekenhuis

aan zijn lot wordt overgelaten. Er zouden voorwaarden aan het ontslag gesteld worden.

Ontslag is alleen mogelijk als er nazorg geregeld is; de patiënt moet zich houden aan

afspraken, anders volgt een nieuwe dwangopname; nazorginstellingen moeten zich ook

houden aan de afspraken.

Mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en

Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

drs. Clémence Ross-van Dorp

7 Kamerstukken II, 2003-2004, 25673 en 28950, nr. 4v

Over anaconda15

1.80 meter lang blauwe ogen Nederlands Techneut en gek op wetenschap Erg handig en visionair
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s